Wensvaderschap over draagkind prenataal vastgesteld
Rechtspraak 07/10/2013

Rb. Hasselt (6e kamer) 19 maart 2013, nr. 13/282/A

​De biologische vader van een kind dat met een draagmoeder zal worden geboren, is erin geslaagd om nog vóór de geboorte niet alleen het vaderschap van de echtgenoot van deze draagmoeder te betwisten, maar tegelijk zelf als vader te worden aangewezen. Dit vonnis van de rechtbank van Hasselt is een primeur en bovendien geen evidente uitspraak.

DE FEITEN

Een vrouw met actieve eileiders maar zonder baarmoeder had samen met haar vruchtbare echtgenoot een kinderwens. Deze wensouders ondertekenden een overeenkomst van laagtechnologisch draagmoederschap met een bevriend echtpaar. Met een eicel van de wensmoeder en zaadcellen van de wensvader werd een embryo gecreëerd dat bij de draagmoeder werd ingeplant. Die medische ingreep leidde tot een zwangerschap. Het vervolgscenario bij gebrek aan actie zou dan als volgt gaan. Bij bevalling in België wordt de draagmoeder de juridische moeder van het kind omdat zij van het kind bevalt. Haar echtgenoot wordt meteen vader op basis van zijn huwelijk met de bevallen vrouw en het kind zal zijn naam dragen. Dat is uiteraard niet wat de betrokkenen wensen.

2-IN 1-VORDERING

In de loop van de vierde maand na de verwekking vorderde de biologische vader in één en dezelfde procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de betwisting van het vaderschap van de echtgenoot en de gerechtelijke vaststelling van zijn eigen vaderschap. De man die het vaderschap opeist, is de enige die de vordering tot betwisting van het huwelijks vaderschap al kan inleiden vóór de geboorte. Er was geen twijfel over de materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, maar de territoriale bevoegdheid was minder duidelijk. De wet verwijst naar de woonplaats van het kind. Bij dit ongeboren kind werd de rechtbank van de woonplaats van de (draag)moeder bevoegd geacht. Interessant is het oordeel van de rechtbank dat ook deze territoriale bevoegdheidsregel de openbare orde raakt. Toch was een succesvolle betwisting in deze zaak verre van evident en zelfs onmogelijk in een letterlijke interpretatie van de wet.

Al sinds 1987 is het zo dat de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap (van de echtgenoot van de moeder) niet ontvankelijk is als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, zoals bv. in-vitro fertilisatie met embryotransfer (art. 318, §4 BW). Deze bepaling heeft tot doel het wensvaderschap te beschermen in geval dit niet aan de biologische werkelijkheid beantwoordt. De rechtbank stelde vast dat de echtgenoot van de draagmoeder geen bezit van staat had ten aanzien van het kind en was van oordeel dat art. 318, §4 BW evenmin tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering kan leiden, aangezien de feitelijke situatie geenszins beantwoordt aan de genoemde ratio legis. De rechtbank wees erop dat de echtgenoot van de draagmoeder zich door de ondertekening van de draagmoederschapsovereenkomst nooit heeft willen profileren als de louter juridische vader van het kind. Omdat de vordering niet zijn eigen wensvaderschap betrof, werd ze op basis van een teleologische interpretatie van de wet ontvankelijk geacht.

Merkwaardig is dat de rechtbank bij de daarop volgende beoordeling van de gegrondheid van de afstammingsvordering verwees naar de afwezigheid van commerciële motieven in hoofde van de betrokkenen en besluit dat de afgesloten draagmoederschapsovereenkomst niet strijdig is met de openbare orde of het belang van het ongeboren kind.

In deze zaak waren in het bijzonder de draagmoederschapsovereenkomst en de verklaringen van de behandelende arts (dat niet de echtgenoot van de draagmoeder, maar de wensvader de biologische vader van het ongeboren kind is) voor de rechtbank voldoende als bewijs voor de gegrondheid van de vordering.

Bij de geboorte zal het wensvaderschap dus meteen juridisch worden verankerd en zal het kind de naam van zijn biologische vader (tegelijk juridische en socio-affectieve ouder) kunnen dragen. Het juridische moederschap is na bevalling in België wel initieel voorbehouden voor de draagmoeder. De enigszins laconieke overweging van de rechtbank in dat verband is : "Partijen zullen dit later dienen recht te zetten". De meest voor de hand liggende piste om het wensmoederschap juridisch te verankeren bestaat erin dat de wensmoeder (tegelijk genetische en socio-affectieve ouder) het kind ten volle adopteert, na toestemmingen van de draagmoeder en haar echtgenoot die deze toestemming ten vroegste twee maanden na de geboorte kunnen gegeven.

WET MEDISCH BEGELEIDE VOORTPLANTING

Opmerkelijk is dat het besproken vonnis met geen woord rept over de wet van 6 juli 2007 op de medisch begeleide voortplanting, terwijl creatie en de inplanting van een embryo niet in de slaapkamer kan worden uitgevoerd. Draagmoederschap is indertijd doelbewust buiten beschouwing gelaten in deze MBV-wet, omdat de wetgever ervan uitging dat die problematiek in een afzonderlijke wet zou worden geregeld. Dat is vandaag nog altijd niet gebeurd. Wellicht mag worden aangenomen dat de MBV-wet enkel correcties aanbrengt op het afstammingsrecht als er met een externe donor werd gewerkt. In die gevallen is er een splitsing tussen het wensouderschap en het genetisch ouderschap. Als beide wensouders ook de genetische ouders zijn, is die splitsing er niet, zodat de gewone afstammingsregels van het BW onverkort van toepassing kunnen zijn.

Bronnen:

  • G. VERSCHELDEN, "Wensvaderschap over draagkind prenataal vastgesteld", De Juristenkrant 2013/ 273, p. 1,9.
  • Rb. Hasselt (6e kamer) 19 maart 2013, nr. 13/282/A, www.legalworld.be

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be