Vrijwillige tussenkomst minderjarige - onontvankelijk
Rechtspraak 28/03/2017

Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, familierechtbank 7 oktober 2016, rol nr. 16/836/A.

​Bij vonnis van 21 juni 2016 werd beslist dat de twaalfjarige R. zijn secundair onderwijs diende aan te vatten in het S. in Ternat en dat de week-weekregeling zou verderlopen, met uitzondering van één blok van veertien dagen bij elke ouder.

Sinds 3 augustus 2016 ging R. niet meer bij zijn vader en sinds 1 september 2016 had hij de school niet meer aangevat. Zijn huisarts meende dat hij niet in staat was de lessen te volgen. Verschillende hulpinstanties werden benaderd om R. en zijn ouders uit deze impasse te krijgen, doch zonder succes.

Op 19 september 2016 legde de moeder van R. een conclusie neer op grond van artikel 378bis BW. Op 26 september 2016 heeft R. zelf een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neergelegd in deze zaak. Op 30 september 2016 heeft de vader eveneens conclusies neergelegd. Ter zitting legde de raadsman van R. een nieuw verzoekschrift neer teneinde hem te kunnen bijstaan tijdens het onderhoud met de rechter.

Voorwerp van de vordering

De rechtbank nam de zaak enkel in beraad m.b.t. de vrijwillige tussenkomst van R., hij vroeg dat de gedwongen contacten met zijn vader zouden worden stopgezet en vroeg vrij te zijn in de contacten met zijn vader. Daarnaast vroeg R. dat hij school zou lopen te M. waar hij de STEM-richting zou willen volgen. Hij vroeg om gehoord te worden.

Optreden in rechte minderjarige

R. vroeg om vrijwillig tussen te komen en meende hiervoor over het vereiste belang en de nodige hoedanigheid te beschikken. Hij verwees hiervoor naar artikel 15 tot en met 18 en artikel 815 Ger. W. en verwees hierbij naar voorbeelden uit het publiek recht, het sociaal recht en zelfs het burgerlijk recht en het jeugdbeschermingsrecht. R. steunde zijn vorderingen op de artikelen 9 en 12 van het VRK “dat directe werking heeft in de Belgische rechtsorde en op enkele specifieke bepalingen in het BW die leeftijdsvoorwaarden instellen voor het optreden in rechte van de minderjarige”. Hij verwees tevens naar de artikelen 6 en 8 van het EVRM.

Voor wat betreft zijn belang verwees R. naar artikel 1004/1 Ger. W. §1, stellende dat hij conform dit artikel het recht heeft gehoord te worden door een rechter in materies die hem aanbelangen aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht op het persoonlijk contact. De vraag om gehoord te worden, wordt aan geen enkele formaliteit onderworpen waardoor R. hiervoor geen verzoekschrift diende neer te leggen.

Aangezien artikel 1004/1 §6 Ger. W. uitdrukkelijk bepaalt dat “het onderhoud met de minderjarige niet tot gevolg heeft dat hij partij in het geding wordt”, en dat hij wel degelijk nastreeft om als partij te kunnen tussenkomen in huidig geding, is hij overgegaan tot de neerlegging van dit verzoekschrift. In de mate dat het verzoek tot vrijwillige tussenkomst betrekking heeft op de vraag om gehoord te worden, kan dit verzoek hoogstens beschouwd worden als een verzoek om gehoord te worden en niet als een vrijwillige tussenkomst.

Het belang dat een minderjarige heeft om gehoord te worden binnen het kader van een civielrechtelijke procedure die gevoerd wordt tussen zijn ouders, is niet hetzelfde belang als datgene dat deze minderjarige kan laten gelden om effectief tussen te komen in een procedure en aldus partij te worden in het geding.

De minderjarige is handelingsonbekwaam en dus principieel procesonbekwaam (artikel 1124 BW).
Er moet hierbij een onderscheid gemaakt worden tussen gevallen waarbij de minderjarige niet wordt ondersteund door zijn wettelijke vertegenwoordigers, waardoor hij genoodzaakt is om door middel van een aangestelde voogd ad hoc of een persoonlijk raadsman een procedure in te stellen teneinde zijn belangen te vrijwaren en de gevallen waarbij hij wel wordt vertegenwoordigd door minstens één van zijn ouders.

Vertegenwoordiging minderjarige door ouders inzake schoolkeuze en verblijfsregeling

De grondslag is niet om rechten aan een minderjarige te onttrekken doch wel om hem te beschermen, in zijn eigen belang. Het Belgische rechtssysteem voorziet daarom in een stelsel van vertegenwoordiging. In dit geval wordt de minderjarige wel degelijk vertegenwoordigd aangezien zijn beide ouders menen te handelen in het belang van hun zoon. De discussie die aan de basis ligt in deze zaak betreft enerzijds een schoolkeuze en anderzijds de verblijfsregeling van het kind. Zijn moeder ondersteunde de vraag van haar zoon en vroeg in dat opzicht een nieuwe vaststelling van de zaak.

Deze procedure, in combinatie met de mogelijkheid die hem verleend zal worden om gehoord te worden door een rechter, biedt op die manier voldoende waarborgen om zijn rechten te respecteren. Het recht op een eerlijk proces wordt voor R. op die manier voldoende gewaarborgd.

Artikel 12 VRK vult artikel 9.2 VRK aan in zoverre het m.b.t. het kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, het recht waarborgt om in alle aangelegenheden die het betreffen vrijelijk zijn mening te uiten in het kader van het verhoor, en verzekert dat aan zijn mening passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit, maar dat uit de vergelijking van beide bepalingen volgt dat het “kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen” niet gelijkgesteld kan worden met “alle betrokken partijen” beoogd in artikel 9.2 VRK, nu overal elders in het Kinderrechtenverdrag systematisch en uitdrukkelijk verwezen wordt naar “het kind” als een bepaling een recht of een waarborg in zijn hoofde vestigt. (P. SENAEVE, “De rechtspleging voor de jeugdgerechten in civielrechtelijke zaken”, C.A.B.G. 2009/4, 1-84).

Er moet vermeden worden dat een minderjarige, door partij te worden in een procedure die over het algemeen zijn gescheiden levende ouders tegenover elkaar stelt, onnodig wordt geresponsabiliseerd en verwikkeld in een loyaliteitsconflict tegenover zijn ouders.

De rechtbank besloot dat het verzoek van R. om vrijwillig tussen te komen in deze procedure, onontvankelijk was. De zaak tussen de vader en de moeder voor hun overige vorderingen werden uitgesteld naar een latere zitting.
De vordering betreffende het ouderlijk gezag (recht op persoonlijk contact) kan maar gesteld worden door de ouder, de kandidaat adoptant of de kandidaat pleegvoogd. Het ouderlijk gezag of onderdelen ervan kan niet worden overgedragen aan derden, ook niet aan de betrokken minderjarige. De minderjarige zou aldus subject én object worden van hetzelfde recht. (Gent 20 juni 2005, TGR-TWVR 2006, afl. 1, 17.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter ad interim Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, familierechtbank 7 oktober 2016, rol nr. 16/836/A.
  • H. PAS, “Kunnen minderjarige kinderen tussenkomen aangaande het ouderlijk gezag en het omgangsrecht in een echtscheidingsprocedure tussen hun ouders?” TJK 2007/1, 36-40, noot onder Gent 20 juni 2005 en Antwerpen 24 maart 2004.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be