VOS – subsidiariteitsbeginsel
Rechtspraak 30/10/2015

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank 24 juni 2015, nr. 12.M.2015/19, onuitg.

​Rechtbank van eerste aanleg – sectie familie- en jeugdrechtbank

J. geboren in 2014 werd in april 2015 onder toezicht gesteld van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulpverlening waarbij hij verder werd toevertrouwd aan het vaderlijk milieu.  Het kind bevond zich in een verontrustende situatie. Tevens werd een neutrale bezoekruimte aangesteld om in begeleide contacten te voorzien tussen de moeder en haar zoon J. Er bestonden immers grote bezorgdheden rond de pedagogische capaciteiten van de moeder en haar betrokkenheid ten aanzien van J. en haar andere  (geplaatste) kinderen.

Ondertussen was op verzoek van de vader een vonnis van de familierechtbank tussengekomen. In dit vonnis van maart 2015 werd beslist tot de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag over J. waarbij het kind zijn hoofdverblijf en domicilie bij de vader verkreeg. Er werd niet in een contact met de moeder voorzien, behalve via de neutrale bezoekruimte van het CAW. De moeder was gehouden om aan de vader een onderhoudsbijdrage van 100 euro per maand te betalen ten behoeve van J.

Uit de verslaggeving van de sociale dienst bleek dat de ambulante begeleiding op een positieve manier werd afgerond. Er was sprake van een gezonde hechting tussen de vader en zijn zoon. De vader stelde zich zeer begeleidbaar op en komt ook de afspraken met het kinderdagverblijf na. De vader beschikt over pedagogische mogelijkheden en heeft hier grote vooruitgang geboekt.

Anderzijds blijven er wel bezorgdheden bestaan op andere vlakken (financieel, relationeel,…). Deze zorgen kunnen echter mee opgenomen worden door de vrijwillige hulpverlening die reeds werd geïnstalleerd ten aanzien van andere kinderen van de vader, met name door de contextbegeleiding  van de vzw B. (die de dochter H. opvolgt) en het A. (waar de zonen B. & B. via tussenkomst van het OCJ tijdens de week verblijven).

De verontrusting die nog steeds aanwezig is, kan gezien de goede medewerking van de vader aan de reeds geïnstalleerde hulpverlening worden opgevolgd door de buitengerechtelijke jeugdhulpverlening. Er is daarnaast ook een burgerlijk vonnis aanwezig dat de vader juridische zekerheid biedt in de omgang met de moeder van J.

De moeder dient zich voor contacten te richten tot de neutrale bezoekruimte. Volgens de sociale dienst is zij niet bereid om dit te doen maar dit kan geen afdoende reden zijn om dit dossier op gerechtelijk niveau te houden.

De moeder wil J. liever geplaatst zien in De Loods waar haar kinderen A. en V. verblijven. Gezien het subsidiariteitsbeginsel dat van toepassing is binnen de jeugdhulpverlening kan hier uiteraard niet op in worden gegaan. In die optiek kunnen de maatregelen worden ingetrokken ten aanzien van de minderjarige J. Dit sluit aan bij het advies van de sociale dienst en de vordering van het Openbaar Ministerie.

Subsidiariteitsbeginsel

Er geldt een voorkeur voor vrijwillige hulpverlening boven gerechtelijke hulpverlening. Bij gelijkblijvend effect zal de jeugdrechter de voorkeur dienen te geven aan de minst ingrijpende maatregel voor de minderjarige. In dit geval vindt de rechter het aangewezen dat J. bij zijn vader zijn hoofdverblijf heeft onder begeleiding van de buitengerechtelijke jeugdhulpverlening. En gaat de rechter niet in op de vraag van de moeder om J. in de instelling te plaatsen bij zijn broers.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank 24 juni 2015, nr. 12.M.2015/19, onuitg.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be