Verzoek tot welbepaald omgangsrecht met doopkind- Artikel 375bis BW
Rechtspraak 24/11/2014

Jeugdrechtbank Brugge 19 januari 2012, R.V. 620.B.2010/21, onuitg.

​De feiten

Mevrouw X is de tante van mevrouw Y en is tevens de doopmeter van het dochtertje van Y. Tot september 2010 zorgde zij op regelmatige basis voor het meisje. Eind september 2010 ontstond er een ruzie tussen de moeder en de doopmeter waarna X geen contact meer kon hebben met het meisje.

Eind december 2010 legde X een verzoekschrift neer bij de griffie van de jeugdrechtbank tot het bekomen van een recht van persoonlijk contact overeenkomstig artikel 375bis BW. Zij vroeg om aan haar een omgangsrecht toe te kennen iedere week de vrijdagavond vanaf 18.00 u tot en met de zaterdagavond 18.00 uur, waarbij zij het meisje zou ophalen en terugbrengen bij de moeder.  Zij breidde haar vordering eveneens uit ten aanzien van de vader van het meisje (die het kind slechts op 11 mei 2011 erkende) en vroeg uiteindelijk om haar een omgangsrecht toe te kennen, tijdens de oneven weken of weken waarop de vader geen omgangsrecht heeft, vanaf de vrijdagavond 18.00 uur tot de zaterdagavond 18.00 uur waarbij X het meisje ophaalt en terugbrengt.

Uit de bevindingen van het politioneel onderzoek blijkt dat het meisje na haar geboorte tot de contactbreuk tussen haar moeder en haar doopmeter heel veel opgevangen werd door deze laatste en zij enorm gehecht was aan het meisje doch het meisje sinds oktober 2010 niet meer gezien heeft. Uit dit onderzoek blijkt ook dat de verstandhouding tussen de moeder en X er sinds de contactbreuk niet op verbeterd is en zij elkaar wederzijds verwijten.

Persoonlijk contact met kind onderhouden

Artikel 375bis BW bepaalt dat aan een derde een recht om persoonlijk contact met het kind te onderhouden kan toegekend worden, indien deze persoon aantoont dat hij met het kind een bijzondere en affectieve band heeft. Bij gebreke aan overeenkomst wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind geoordeeld door de jeugdrechtbank. Het recht op persoonlijk contact van derden die een affectieve band met het kind hebben, is een functioneel recht, waarvan de uitoefening aan het belang van het kind is onderworpen (cfr. artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind).

X heeft na de geboorte van het meisje veel voor haar gezorgd tot door de ruzie met de moeder hieraan een einde kwam. Het kind is voor X heel dierbaar en het is duidelijk dat de moeder bij de geboorte van het meisje duidelijk de intentie had om X een belangrijke rol in het leven van het kind te laten spelen aangezien zij haar uitgekozen heeft om doopmeter te zijn. Het blijkt ook dat de moeder het contact tussen het kind en X na de ruzie verhinderde en hierdoor het verder bestaan van de hechte band tussen X en het kind hypothekeerde. In tegenstelling tot de beweringen van de moeder zijn er geen overeenstemmende aanwijzingen waaruit blijkt dat X het kind aan de moeder wou onttrekken, Y niet als moeder respecteert, haar rechten miskent of iets anders op het oog heeft dan het bekomen van een regelmatig contact met het meisje.

De Jeugdrechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de affectieve banden die worden gecreëerd in de eerste fase van het leven, minstens onbewust sporen nalaten en hun invloed blijven hebben in het leven van het kind. Dit blijft het geval zelfs wanneer de hechte contacten tussen een zorg- en vertrouwensfiguur en het kind op een zeker ogenblik wegvallen. Vergelijkbaar met het cassatiearrest van 16 januari 2009 (C.07.0563.N): “Als blijkt dat de verzoeker tot toekenning van het recht op persoonlijk contact een bijzondere affectieve band heeft met het kind maar dat een affectieve band van het kind met de verzoeker niet of niet meer bestaat, komt het aan de jeugdrechtbank toe na te gaan of de toekenning van een persoonlijk contact in het belang van het kind is”.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan X een (beperkt) recht op contact met het meisje kan worden toegekend zelfs al gaat moeder hiermee niet akkoord. Artikel 375bis BW voorziet niet in een verplichte poging tot verzoening voorafgaand aan de procedure. 

Rekening houdend met het gebrek aan verstandhouding tussen de moeder en de doopmeter (waarvan de rechtbank echter wel hoopt dat deze na de beslechting van het geschil zal verbeteren gelet op de vertrouwensrelatie die er indertijd geweest is tussen moeder en doopmeter, het recentelijk omgangsrecht dat de vader gekregen heeft met het meisje en het belang van het kind om een hele hechte band met haar vader op te bouwen) is de rechtbank van oordeel dat er aan X slechts een recht kan toegekend worden om gedurende één weekend  per maand contact te hebben met het meisje en één woensdagnamiddag per maand. Een meer uitgebreid omgangsrecht of een omgangsrecht met overnachting is gelet op de bijzondere omstandigheid niet aangewezen.

Bron:

  • Jeugdrechtbank Brugge 19 januari 2012, R.V. 620.B.2010/21, onuitg.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be