Verkrachting met behulp van geweld op een -14jarige
Rechtspraak 29/01/2015

Jrb. Brugge 11 januari 2012, onuitg., nr. 29.

​De feiten

De minderjarige X werd door de jeugdrechtbank van Brugge op 11 januari 2012 schuldig bevonden aan de misdaad van verkrachting met behulp van geweld, zijnde een tweetal keren een daad van seksuele penetratie gepleegd te hebben op een meisje van 10 jaar oud. De ouders van X werden burgerlijk aansprakelijk verklaard en werden hoofdelijk gehouden tot het betalen van de kosten.

Vonnis jeugdrechtbank

Bij vonnis van 6 juni 2012 van de jeugdrechtbank te Brugge, in afhandeling van de burgerlijke zaken werden in verband met de rechtsvordering van de burgerlijke partijen de bedragen bepaalt die de minderjarige X en zijn ouders verschuldigd waren aan het meisje.

Tegen dit vonnis tekenden X en zijn ouders hoger beroep aan, “tegen alle burgerrechtelijke beschikkingen”.

Hof van Beroep

Het hof van beroep stelde vast dat zich in het strafdossier stukken bevonden in verband met het maatschappelijk onderzoek naar de persoon en het milieu van de minderjarige X. Deze onderzoeken werden gelast door jeugdrechtbank naar aanleiding van de aanwijzingen van schuld aan de feiten.

Persoonlijkheids- en milieuonderzoeksmaatregelen

De verschillende persoonlijkheids- en milieuonderzoeksmaatregelen die door de jeugdrechtbank werden bevolen om de persoonlijkheid en het milieu van de betrokken jongere of gezinnen te leren kennen, strekten er toe om zo te kunnen bepalen wat hun belang is en welke de gepaste middelen voor de opvoeding en behandeling van de betrokken partijen zijn (artikel 50 § 1 eerste lid Wet Jeugdbescherming) uit deze finaliteit en het algemene opzet van de Jeugdbeschermingswet vloeide voort dat het dossier betreffende de persoonlijkheid en het milieu van de jongere, dat het resultaat van de genoemde onderzoeken vormt, niet mocht worden aangewend in het kader van andere procedures.

Deze stelling “werd verantwoord door de overweging dat de betrokkenen vrijuit moeten kunnen spreken tijdens de persoonlijkheids- en milieuonderzoeken, wat niet het geval is wanneer die onderzoeken nadien van hun doel zouden worden aangewend: de effectiviteit van de maatregelen zou in het gedrang komen mochten de betrokkenen niet vrijuit kunnen spreken uit vrees dat de gegevens die ze aanbrengen later eventueel in een strafprocedure, tijdens de debatten over de burgerlijke vordering of in burgerrechtelijke procedures tegen hen zouden kunnen aangewend”. (cfr. J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, 1996, APR, Kluwer, Deurne, nr. 1409 en 1410).

Het hof van beroep weerde al deze voormelde stukken uit het dossier evenals alle argumenten die door de partijen zouden zijn aangewend en gebaseerd op deze stukken. Met al deze stukken en argumenten hield het hof geen rekening bij de beoordeling van deze zaak. Het bestreden vonnis werd in graad van het hof van beroep in het nadeel van de burgerlijke partijen gewijzigd.

Het Hof van Cassatie stelde in zijn arrest van 12 november 2002 ( Arr. Cass., 2002, 2454): “De maatschappelijke onderzoeken verricht krachtens artikel 50, § 1 Jeugdbeschermingsrecht mogen niet worden aangewend voor andere doeleinden, zoals de beoordeling van de burgerlijke aansprakelijkheid van de ouders, deze regel is van openbare orde en moet ambtshalve door de rechter worden aangevoerd”. Het Hof van Cassatie herhaalde in zijn arrest van 20 oktober 2010 (AR P09O529F) deze stelling: ”Er geldt in het persoonlijkheidsdossier voor bepaalde personen (bv. de burgerlijke partij) een inzagebeperking, om te vermijden dat het wordt gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor het is opgesteld. Deze vertrouwelijkheid is een uitdrukking van de zorg van de wetgever om de minderjarige in zijn privéleven te beschermen”.

Inzagebeperking in het persoonlijkheidsdossier minderjarige

Ondanks de zwaarwegende argumenten die door het hof van beroep te Gent werden aangehaald in dit arrest worden deze niet algemeen bijgetreden. Een arrest van het Assisenhof te Luik besliste dat de hoger uiteengezette regels de belangen van de meerderjarig geworden jongeren niet mogen schaden, zodat hij gerechtigd is de overlegging te vragen van op last van de jeugdrechtbank uitgevoerde persoonlijkheidsstudies (Ass. Luik 31 januari 1978, Pas. 1978, II, 78). Het hof beval dan ook dat dit dossier zou worden overgelegd. Het hof ging hierbij evenwel voorbij aan het feit dat eens men toelaat dat de beschuldigde (of beklaagde) de overlegging van stukken uit het persoonlijkheids- en milieudossier kan vragen, zulks, gelet op het beginsel van de gelijkheid tussen de procespartijen, logischerwijze ook zou moeten gelden voor het openbaar ministerie en zelfs voor de burgerlijke partij. Dit heeft evenwel tot gevolg dat enerzijds, de overlegging van die stukken toch het belang van de jongere zou kunnen schaden en anderzijds, dat de persoonlijkheids- en milieuonderzoeken geheel van hun doel worden aangewend.

Tevens kan men ook de miskenning van de belangen van de burgerlijke partij aanhalen: in het feit dat die partij de overlegging van het navorsingsdossier niet kan bekomen, wordt zelfs een schending van artikel 6 EVRM gezien (TRAEST, P., “ Waar het op aan komt”, T.R.D. 1993, 579-580). Dit argument gaat evenwel voorbij aan het gegeven dat er nog een ander fundamenteel recht in het geding is, met name het recht op privé- en gezinsleven dat een beperking van het gebruik van het persoonlijkheids- en milieudossiers verantwoordt en zelfs vereist. Overigens kan geen enkele partij gebruik maken van gegevens uit persoonlijkheids- en milieudossier in het kader van de jeugdbescherming wanneer wordt gedebatteerd over de burgerlijke belangen. Volledigheidshalve moet worden aangestipt dat het gegeven dat uit artikel 8 EVRM voortvloeit dat men en zeker inzagerecht in zijn eigen dossier heeft (ERHM 7 juli 1989, Gaskin Publ. Cour sér. A, nr. 160) nog niet impliceert dat dat dossier kan worden aangewend in andere dan jeugdbeschermingsprocedures. Een recht op inzage van een dossier impliceert nog niet het recht om op onbeperkte wijze van dat dossier gebruik te maken (J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, 1996, APR, Kluwer, Deurne, 527-528).

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Jrb. Brugge 11 januari 2012, onuitg., nr. 29.
  • Jrb. Brugge 6 juni 2012, onuitg., nr. 463.
  • HvB Gent 31 maart 2014, onuitg., nr. C/563/2014


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be