Verbod van foltering - detentie in jeugdgevangenis van geestelijk gestoorde twaalfjarige jongen - uitspraak van het EHRM
Rechtspraak 24/04/2014

EHRM 14 november 2013, Blokhin t. Rusland, nr. 47125/06.

​Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens toetste de detentie van een 12-jarige Russische jongere in een jeugdgevangenis af aan de bepalingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

FEITEN

P is een Rus geboren in 1992. Op 3 januari 2005 werd P in Rusland gearresteerd, ondervraagd op het politiekantoor en beticht van afpersing van zijn 9 jaar oude buurjongen. Door de politie daartoe aangepord, ondertekent P een schriftelijke bekentenis, die echter na tussenkomst van zijn wettelijke voogd ingetrokken wordt. Op het ogenblik van de feiten was verzoeker 12 jaar oud, en werd hij behandeld voor ADHD en onwillekeurig urineverlies. Zich baserend op de bekentenis van P en de getuigenis van het slachtoffer en zijn moeder kwamen de autoriteiten tot de overtuiging dat de handelingen van P als een misdrijf konden gekwalificeerd worden; niettemin werd geen strafprocedure geopend omdat verzoeker, op basis van zijn leeftijd, niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan gesteld worden.

Toch werd op 21 februari 2005 door de rechtbank bevel gegeven om P gedurende dertig dagen in een jeugdgevangenis te plaatsen, teneinde hem het plegen van nieuwe feiten te beletten. Na zijn vrijlating werd verzoeker naar het hospitaal overgebracht, waar hij behandeld werd voor zijn neurose en ADHD.
Volgens verzoeker werd in de jeugdgevangenis onvoldoende rekening gehouden met zijn medische toestand, de toiletten waren enkel gedurende bepaalde periodes toegankelijk, wat door betrokkene als pijnlijk en vernederend ervaren werd.

KLACHTEN

P klaagt voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), dat de omstandigheden in de jeugdgevangenis beantwoorden aan een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hij klaagt daarnaast aan dat de detentie onwettig was onder artikel 5 §1 van het EVRM. Tot slot houdt de verzoeker vol dat er een schending voorligt van artikel 6, §1 van het EVRM, nu hij ondervraagd werd zonder raadsman en hem geen kans werd gegeven om de getuigenissen van het slachtoffer te betwisten.

BEOORDELING DOOR HET HOF

ARTIKEL 3 EVRM

Het EHRM besliste dat de afwezigheid van een aangepaste medische behandeling een onmenselijke en vernederende behandeling van P inhoudt. Schending van artikel 3 EVRM.

ARTIKEL 5 EVRM

De detentie van P kan niet gerechtvaardigd worden op grond van artikel 5 EVRM. Eveneens kan de gevangenhouding op grond van artikel 5 § 1 (a) van het EVRM niet verantwoord worden.

ARTIKEL 6 EVRM

Gelet op de aard van de aan verzoeker toegekende feiten en op de aard en impact van de sanctie, besluit het Hof dat de procedure beschouwd moet worden als een strafrechtelijke procedure waarvoor de rechtsbescherming van artikel 6 van het EVRM ingeroepen kan worden.
Het Hof wijst erop dat P ten tijde van het verhoor niet in de mogelijkheid verkeerde om contact op te nemen met een familielid, en om zich te laten bijstaan door een raadsman.
Er kan volgens het Hof geen sprake zijn van eerlijke procesvoering in de zin van artikel 6 EVRM.

Bron:

  • EHRM 14 november 2013, Blokhin t. Rusland, nr. 47125/06.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be