Verblijfsregeling kinderen opleggen van niet-gevorderde verblijfsregeling
Rechtspraak 24/05/2014

HvC 4 januari, AR C.12.0021.N, Tijdschrift voor Familierecht (T. Fam.)2014/1, 50-55, noot T. Vercruysse

​De feiten

Op 19 september 2011 sprak de jeugdkamer van het hof van beroep zich uit over de vordering van de vader tot uitbreiding van de verblijfsregeling van zijn twee kinderen bij hem: hij wenste een regeling van gelijkmatig verdeeld verblijf te bekomen. De moeder van de kinderen, ijverde voor het behoud van de bestaande regeling, namelijk het hoofdverblijf van de kinderen bij haar, en een secundair verblijf bij hun vader gedurende één weekend om de veertien dagen en tijdens de helft van de schoolvakantie.

Het hof van beroep besliste dat beide kinderen bij elke ouder dienden te verblijven in een regime van alternerend verblijf met wissel om de week, maar dat ze elke week bij hun moeder moesten doorbrengen, op woensdag van na school of 12 uur tot donderdag vóór schooltijd of tot 16 uur als er op die donderdag geen school was. Zodoende werd een ongelijkmatig verdeeld verblijf bevolen. Het hof van beroep achtte deze regeling de minst slechte voor de kinderen en van aard om op een realistische wijze de kinderen de kans te bieden om zoveel als mogelijk bij elk van hun ouders te wonen.

Uit de feiten bleek dat de vader elke dag (ook op woensdag) werkte tot 15.45 u, terwijl de moeder op woensdag steeds een vrije dag had.

Cassatie

Volgens het Hof van Cassatie bleek dat de vader een gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling, vorderde en elke dag tot 15 u 45 werkte en anderzijds dat moeder geen wijziging wenste aan de bestaande regeling en op woensdag steeds een vrije dag had. Door het feit dat wordt voorzien in de minst slechte regeling voor de kinderen, die hun toelaat zoveel als mogelijk bij elk van de ouders te wonen, wordt volgens het Hof van Cassatie niet het recht van verdediging geschonden en wordt de beslissing van het hof van beroep behouden.

Andersluidend advies van het parket-generaal

Opmerkelijk is dat het parket-generaal in deze zaak concludeerde dat het cassatieberoep van de vader gegrond was. Het standpunt van het openbaar ministerie werd in deze zaak volgens de auteur terecht niet gevolgd.

Besluit

Met de wet van 18 juli 2006 aangaande het verblijfsco-ouderschap werd een model ingevoerd voor het verblijf van minderjarige kinderen bij hun niet-samenlevende ouders.

Sedertdien dient bij onenigheid en op vraag van minstens van één van beide ouders in geval van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, de regeling van gelijkmatig verdeeld verblijf prioritair te worden onderzocht.

Dit neemt niet weg dat de rechter vrij is het geschil te beslechten op een manier die hij het meest gepast acht.

Bron:

  • HvC 4 januari, AR C.12.0021.N, Tijdschrift voor Familierecht (T. Fam.)2014/1, 50-55, noot T. Vercruysse

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be