Uithandengeving mogelijk na eerste - zwaar - feit.
Rechtspraak - 15/11/2012
Brussel (Jrb.) 29 oktober 2010

Minderjarige maakt zich schuldig aan poging tot doodslag en verkrachting

Willy maakte zich op schuldig aan poging tot doodslag en verkrachting op een 15-jarig meisje.

Het openbaar ministerie vordert in toepassing van art. 57bis van de jeugdbeschermingswet van 8 april 1965 dat de zaak van Willy uit handen gegeven wordt omdat de jeugdbeschermingsmaatregelen voor hem niet geschikt zijn. 

De jeugdrechtbank kan de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit 16 jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht. De jeugdrechtbank kan daarnaast slechts beslissen tot uithandengeving indien bovendien aan één van de in art. 57 bis, §1 Jeugdbeschermingswet vermelde voorwaarden is voldaan, met name wanneer de minderjarige vervolgd wordt voor één van die in dit artikel vermelde misdrijven, waaronder poging tot doodslag en verkrachting.

Willy staat terecht voor zijn betrokkenheid bij de feiten. Hij was op dat moment 17 jaar en x maanden oud, zodat aan de leeftijdsvereiste voldaan is. Aangezien Willy wordt vervolgd voor poging tot doodslag en verkrachting van een minderjarige boven de leeftijd van 14 jaar en beneden die van 16 jaar is aan de voorwaarden dat het een feit betreft zoals bedoeld in één van de artikelen vermeld van art. 57 bis §1 Jeugdbeschermingswet voldaan. Overeenkomstig art. 57 bis Jeugdbeschermingswet kan de zaak slechts uit handen gegeven worden nadat de in art. 50, tweede lid, Jeugdbeschermingswet, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken verricht zijn.


Beslissing tot uithandegeving - uitzonderingsprocedure

De jeugdrechtbank kan beslissen om de minderjarige uit handen te geven en toevertrouwen aan het openbaar ministerie, wanneer zij vaststelt dat de maatregelen van de jeugdbescherming niet (meer) geschikt zijn voor een persoon die op het ogenblik van de feiten minderjarig was. Bij de beoordeling ervan mag de jeugdrechter alleen verwijzen naar de persoonlijkheid van de betrokkene en strikt genomen niet naar de ernst en de aard van de misdrijven, al kunnen deze factoren wel meespelen om tot een oordeel over de persoonlijkheid van de betrokkene te komen. De uithandengeving is bedoeld als uitzonderingsprocedure. Of de jeugdbeschermingsmaatregelen al dan niet geschikt zijn, mag niet louter vanuit theoretisch oogpunt beoordeeld worden. De overwogen maatregelen moeten binnen het kader van het jeugdbeschermingsrecht ook effectief realiseerbaar zijn. Bij de beoordeling moet ook rekening gehouden worden met de legitieme verzuchtingen van het slachtoffer en de maatschappij om tot een gepaste bestraffing van het misdrijf te komen en met de nood aan bescherming van de maatschappij. De beoordeling gebeurt op het ogenblik van uitspraak.


Maatschappelijk onderzoek

Willy kent een blanco gerechtelijk verleden. Hij kwam pas voor het eerst met justitie in aanraking naar aanleiding van de feiten waarvoor hij nu terechtstaat. Deze feiten en het extreme geweld waarmee ze gepaard gingen, kwamen voor iedereen uit zijn omgeving over als een donderslag bij heldere hemel. Uit het maatschappelijk onderzoek van de Sociale Dienst blijkt dat de ouders van Willy nooit noemenswaardige problemen met hun zoon hebben gehad. Al lijkt hij wel geleden te hebben onder hun scheiding. Willy omschrijft de relatie met zijn ouders als afstandelijk en negatief. Hij wordt omschreven als intelligent, sociaal en als iemand die zich makkelijk aanpast aan nieuwe situaties en mensen. Op één enkel incident ten aanzien van zijn moeder na, zijn er in het verleden nooit agressie-uitbarstingen geweest. Ook de gemeenschapsinstelling, waar Willy sinds de feiten verblijft, ervaart geen noemenswaardige problemen aangaande het zijn gedrag. Het voorgaande neemt niet weg dat er redenen tot bezorgdheid zijn aangaande de (persoonlijkheids)ontwikkeling van Willy, voornamelijk omwille van zijn houding ten aanzien van de feiten, die door zowel de Sociale Dienst als de gemeenschapsinstelling als problematisch wordt omschreven, hoewel het rationeel besef dat de feiten ontoelaatbaar zijn wel degelijk aanwezig zijn. De vaststellingen van diverse deskundigen in het dossier en de conclusies die zij hieraan verbinden, vertonen opvallende gelijkenissen: zij stellen vrijwel allen een gebrek aan wederkerigheid in sociale relaties vast en merken bijna unaniem op dat Willy weliswaar weet en beseft wat hij gedaan heeft, maar desalniettemin weinig voeling vertoont met het slachtoffer, noch met de feiten an sich. Hij lijkt daarentegen voornamelijk met zichzelf bezig en het herstel naar het slachtoffer lijkt voornamelijk op de gevolgen voor zichzelf gericht.


Noodzakelijke langdurige behandeling

De diverse maatschappelijk en medisch-psychologische onderzoeken leggen sterk de nadruk op de noodzakelijke langdurige behandeling van Willy. Dit laat de vereiste van een aangepaste bestraffing van de als misdrijf omschreven feiten waarvoor Willy terechtstaat, onverlet. Zowel het slachtoffer als de maatschappij hebben hier recht op. De jeugdbeschermingsmaatregelen nemen onherroepelijk een einde op de leeftijd van uiterlijk 20 jaar. Rekening houdende met de gevorderde leeftijd van Willy (op het ogenblik van de feiten 17 jaar en x maanden en thans 18 jaar en x maanden oud) is dit binnen relatief korte termijn.


Beslissing tot uithandengeving

Gelet op de geschetste problematiek bestaat er geen enkele garantie dat op het niveau van de jeugdrechtbank, binnen het bestaande aanbod, een aangepaste therapeutische behandeling kan opgestart en voltooid worden wanneer Willy 20 jaar wordt. Evenmin bestaat de garantie dat de maatregelen enig effect zullen sorteren. Ook de mogelijkheden om bestraffend op te treden zijn gelet op de tijd die binnen het jeugdbeschermingskader voor Willy nog rest beperkt en niet in verhouding tot de ernst van de feiten en het leed dat Willy het slachtoffer en de maatschappij berokkend heeft. Net omwille van het uiterst onverwacht karakter en de extreme gewelddadigheid waarmee de feiten gepaard gingen, kan de jeugdrechtbank het risico niet lopen om genoegen te nemen met het nemen van jeugdbeschermingsmaatregelen.

Gelet op de ernst van de feiten en het recidivegevaar in hoofde van Willy, gaat de jeugdrechtbank over tot de uithandengeving en beveelt de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissing. De zaak van Willy wordt verwezen naar het openbaar ministerie, met het oog op de vervolging voor een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank als daartoe grond bestaat.

 

Auteur: Christine Melkebeek, DCI-Vlaanderen

Bron:

  • Brussel (Jrb.) 29 oktober 2010, onuitgegeven.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be