Uithandengeving - voorwaarden leeftijdsgrenzen
Rechtspraak 24/05/2014

Hof van beroep Gent 26 februari 2014, TJK 2014/2, noot S. Hespel, 207.

​LEEFTIJDSGRENZEN IN DE JEUGDBESCHERMINGSWET: DOORSLAGGEVENDE FACTOR BIJ UITHANDENGEVING?

Minderjarigen zijn strafrechtelijk schuldonbekwaam en vallen daardoor onder het toepassingsgebied van het jeugdbeschermingsrecht, dat gericht is op de begeleiding en heropvoeding van de minderjarige eerder dan het proportioneel bestraffen van gepleegde feiten. De persoonlijkheid van de minderjarige staat centraal en de maatregelen zijn toekomstgericht. Uitzonderlijk kan een jonge delinquent toch worden berecht volgens het gemeen strafrecht, met name wanneer hij uit handen wordt gegeven.

Uit onderzoek blijkt dat een niet te verwaarlozen aandeel van de uithandengevingen bestaat uit een doorverwijzing naar het strafrecht omwille van het gebrek aan effectieve middelen binnen het jeugdbeschermingsrecht. De jeugdrechter beslist dan niet alleen “in het belang van de jongere”, maar ook in functie van de structurele beperkingen van de Jeugdbeschermingswet.

ERNSTIG GESTOORDE PERSOONSONTWIKKELING

In deze zaak werd de minderjarige ervan verdacht op zeventienjarige leeftijd een roofmoord te hebben gepleegd. De discussie in deze zaak betrof voornamelijk de concrete elementen waarmee de jeugdrechtbank rekening dient te houden bij het beantwoorden van de vraag of jeugdmaatregelen nog geschikt zijn voor de betrokken jongere. De wetgever zelf biedt bij het beantwoorden van de vraag of de jeugdrechtmaatregelen nog geschikt zijn weinig houvast.

In deze zaak was de gerechtsdeskundige van oordeel dat de jongere te kampen had met een “ernstig gestoorde persoonsontwikkeling” waardoor “alleen een langdurige intensieve residentiële psychotherapeutische behandeling een mogelijkheid zou kunnen bieden om zijn psychisch functioneren zo veel als mogelijk te kunnen verbeteren”. Dat laatste lijkt problematisch, gelet op de leeftijdsgrenzen die de Jeugdbeschermingswet hanteert. In het besproken arrest was de jongere immers de leeftijd van 18 jaar gepasseerd op het ogenblik dat uitspraak over de uithandengeving werd gedaan.

BEROEP TEGEN UITHANDENGEVING ONGEGROND

Volgens het hof van beroep, jeugdkamer, is de vraag die door de jeugdrechter beantwoord dient te worden niet met welk systeem de jongere beter gediend is, maar wel of er binnen het kader van de Jeugdbeschermingswet en via een pedagogische maatregel nog met een voldoende nuttig effect kan gehandeld worden. Het hof houdt rekening “met de actuele stand van de wetgeving waarbij een langdurige begeleiding, desgevallend in een gesloten jeugdpsychiatrische setting of een gesloten gemeenschapsinstelling met externe psychiatrische ondersteuning niet tot de mogelijkheden behoort.

Het hof verklaart het beroep tegen het vonnis van uithandengeving dan ook ongegrond. De minderjarige werd in deze zaak uit handen gegeven omwille van een reëel gevaar voor recidive en zijn ernstig gestoorde persoonlijkheid.

KRITISCHE BEDENKINGEN

Er kunnen een aantal kritische bedenkingen worden geformuleerd bij de werking van het systeem van de uithandengeving. In dit arrest bedraagt de termijn die is verstreken tussen het plegen van de feiten en de beslissing tot uithandengeving in beroep meer dan een jaar. Gedurende deze periode verbleef de minderjarige bovendien in een gesloten gemeenschapsinstelling. 

Volgens de auteur zou de wetgever er beter aan doen om binnen het jeugdrecht in een aangepast aanbod te voorzien voor de jongeren die nu, wegens de onmacht van jeugdbeschermingsrecht in zijn huidige vorm, noodgedwongen aan het strafrecht worden overgelaten.

Bron:

  • Hof van beroep Gent 26 februari 2014, TJK 2014/2, noot S. Hespel, 207.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be