Slagen zonder te slagen! Niet geslaagd voor een schakelprogramma, wel voor de daaropvolgende masteropleiding: geslaagd of niet geslaagd?
Rechtspraak 13/05/2013

Raad van State, nr. 220.242 en 220.243 van 10 juli 2012

STUDENTE SLAAGT NIET VOOR SCHAKELPROGRAMMA, WEL VOOR DAAROPVOLGENDE MASTEROPLEIDING. DE UNIVERSITEIT BESLIST NIET GESLAAGD

De hiernavolgende becommentarieerde arresten van de Raad van State behandelen quasi identieke gevallen. In beide gevallen moest een studente tussen een professionele bacheloropleiding en een masteropleiding, een trouwens decretaal zo goed als verplicht schakelprogramma volgen. Enkel de omvang van het te volgen pakket verschilde grondig. In het ene geval moest de studente enkel Statistiek I volgen. In het andere geval moesten hierna ook nog andere opleidingsonderdelen worden gevolgd. De essentie van het verhaal is wel dat beide studentes niet slaagden voor Statistiek I van hun schakelprogramma. Maar wel slaagden voor alle opleidingsonderdelen uit de daaropvolgende masteropleidingen. Zij werden voor de masteropleiding niet geslaagd verklaard omdat zij nog altijd niet geslaagd waren voor het schakelprogramma.

DE RAAD VOOR BETWISTINGEN INZAKE STUDIEVOORTGANGBESLISSINGEN EN DE RAAD VAN STATE BESLISSEN WEL GESLAAGD

De casus werd voorgelegd aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangbeslissingen. Deze meende dat de beslissing van de universiteit – niet geslaagd voor de masteropleiding omdat niet geslaagd voor het schakelprogramma- niet kan gehandhaafd blijven en dat de beide studentes bijgevolg moeten slagen enerzijds voor het schakelprogramma, anderzijds voor de aansluitende masteropleiding.

Die visie werd ook bevestigd door de Raad van State.

De redenering is als volgt samen te vatten: de beide studenten zijn enkel voor één opleidingsonderdeel niet geslaagd in het schakelprogramma. Dat opleidingsonderdeel wordt als begingcompetentie gedefiniëerd voor een ander opleidingsonderdeel in de masteropleiding. Op dit masteropleidingsonderdeel slaagde de student wel. Bijgevolg is het onredelijk dat de student niet zou geslaagd verklaard worden voor het voorafgaand opleidingsonderdeel in het schakelprogramma en dus bijgevolg voor het hele schakelprogramma. En omdat - per hypothese - alle credits zijn behaald voor het masterprogramma moet de student ook voor deze opleiding meteen slagen.

DE JURIDISCHE ARGUMENTATIE

Juridisch is de discussie die is gevoerd voor de Raad van State terug te brengen tot een drietal elementen:
- het debat over wat als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd
- het gezag van eerdere uitspraken
- vooral de betekenis van begin- en eindcompetenties in de context van het slagen of niet slagen.

De eerste belangrijke juridische argumentatie die was aangevoerd door de Universiteit van Gent betreft de bevoegdheidsoverschrijding die de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangbeslissingen zich zou hebben toegeëigend. Deze Raad had immers zijn argumentatie gebaseerd op het onredelijkheidsaspect en zou zich hierbij dus een te verregaande vrijheid hebben gepermiteerd. De Raad zou immers alleen de uitspraak van de instelling hebben mogen vernietigen wanneer deze "kennelijk" onredelijk was.

In een tweede argument meende UGent te moeten aanvoeren dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangbeslissingen te kort door de bocht ging door te verwijzen naar een voorgaande uitspraak. 

De meest interessante juridische discussie slaat volgens de auteur echter op de verhouding tussen de begin- en eindcompetenties. Op grond daarvan meende UGent dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangbetwistingen zijn bevoegdheid te buiten ging door een examencommissie te dwingen een student te doen slagen (voor het schakelprogramma) terwijl de Raad ten hoogste een vernietigingsbevoegdheid heeft. Het gegeven dat een bepaald opleidingsonderdeel een noodzakelijke voorwaarde vormt om een ander te kunnen volgen, betekent dat men bepaalde basiskennis uit dat opleidingsonderdeel veronderstelt om het erop volgende onderdeel met succes te kunnen volgen. Is het dan logisch dat het slagen voor het vervolg opleidingsonderdeel meteen moet impliceren dat men ook slaagt voor het logischerwijze voorafgaande? De vraag stellen is ze blijkbaar beantwoorden volgens de beiden Raden: "Zonder dus uitdrukkelijk te oordelen dat de verwerende partij over al de eindcompetenties (...) beschikt, impliceert dit volgens de bodemrechter dat "het de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat om te stellen dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden".

De betrokken onderwijsinstelling kon er dus redelijkerwijze niet omheen dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waardoor de student geslaagd moet worden verklaard. De gedachtegang sluit op zijn minst aan bij het volksgevoel dat zowel bij de ouders als studenten heerst dat het onlogisch is dat men niet zou slagen voor een masteropleiding als men hiervoor alle creditbewijzen heeft gehaald, enkel en alleen omdat men niet zou geslaagd zijn voor een vakje van een voorafgaande opleiding, weze het een schakel (in dit geval) of voorbereidingsprogramma of zelfs een voorafgaande bacheloropleiding. Is het ene immers niet ingesloten in het andere?

BESLUIT

Het risico van deze spitsvondige juridische redeneringen bestaat eruit dat de onderwijsinstellingen vroeg of laat eieren voor hun geld zouden kiezen. Als de kans bestaat dat een student via juridische weg geslaagd verklaard moet worden of de vrijstelling moet krijgen voor iets dat een begincompetentie vormt voor iets anders waarvoor hij wel slaagde en men vindt dat de competenties toch wel voldoende verschillen, zou men wel eens kunnen overgaan tot wat de "harde knip" wordt genoemd. Een student moet absoluut geslaagd zijn voor opleidingsonderdeel X vooraleer hij Y mag aanvatten. Het reeds gevolgd hebben van X volstaat niet meer. Een student moet absoluut geslaagd zijn voor de voorafgaande opleiding vooraleer hij mag inschrijven in de volgende opleiding. En men maakt geen gebruik meer van de in het decreet voorziene mogelijkheid dat men kan/mag afzien van de toelatingsvoorwaarden om zo de student reeds zijn vervolgopleiding te kunnen laten starten. En dat zou uiteraard de studievoortgang van de studenten niet bevorderen en de maatschappij in haar geheel geen dienst bewijzen (door de vertraagde uitstroom van studenten en de hogere investering die ouders en maatschappij moeten doen).

Bronnen:

  • Raad van State, nr. 220.242 en 220.243 van 10 juli 2012
  • T. BOON, "Slagen zonder te slagen ?", noot onder arresten Raad van State nr. 220.242 en 220.243 van 10 juli 2012, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid (T.O.R.B.) 2012-13/3-4, 272.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be