School wil geen thuisonderwijs aanbieden aan zieke leerling – school veroordeeld
Rechtspraak 27/04/2017

Hof van beroep Gent, 30 maart 2017, rolnr. 2015/AR/977.

​E. was in het schooljaar 2012-2013 (zoals voorheen) ingeschreven op het S.C. te Geraardsbergen, beheerd door het Schoolcomité D.Z. (hierna aangeduid als de school). Ze volgde toen het eerste jaar van de derde graad in het secundair onderwijs richting wetenschappen-wiskunde na eerder in het middelbaar telkens een A-attest te hebben behaald in dezelfde stad.

Dat schooljaar namen de medische klachten van E. echter toe, waardoor ze vaak afwezig was op school. Eerder had ze al medische problemen, waarbij de link werd gelegd met een sportongeval in het schooljaar 2009-2010, doch uiteindelijk werd ze in 2013 gediagnosticeerd met de ziekte van Lyme in een vergevorderd stadium. In het eerste semester van het schooljaar 2012-2013 werd Bednet opgestart. 

Wegens het voor de concentratie van E. storend achtergrondlawaai in de klas, werd door haar behandelende anesthesist-pijnarts, tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH) geadviseerd. Een officiële aanvraag vanwege de ouders van E. volgde op 2 februari 2013 aan de directrice van de school. Daadwerkelijke uitvoering daarvoor door de school bleef achterwege.

E. nam niet deel aan de examens voor het tweede semester en eind juni 2013 kreeg ze vanwege de school een uitgestelde beslising. Ze behaalde uiteindelijk een C-attest en deed haar vijfde jaar elders over. Daar werd TOAH aangevraagd, wat- in overeenstemming met de geldende reglementering – wel binnen de week resulteerde in thuisonderwijs door haar vakleerkrachten. Op 19 augustus 2013 formuleerden de ouders van E. een klacht bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten van de Vlaamse overheid (AgOdi). Deze dienst stelde vast dat E. voldeed aan de voorwaarden van TOAH gelet op haar chronische ziekte.

Vervolgens werd op 3 december 2013 op verzoek van de ouders van E. in eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun dochter E., een dagvaarding betekend aan de school S.C. Door geen gevolg te geven aan de officiële aanvraag van TOAH beging de school volgens hen een fout. (artikel 1382 BW) E. verloor een volledig schooljaar, minstens werd haar de kans ontnomen om te slagen in dat vijfde leerjaar waardoor haar ouders schade leden. Zij vorderden een financiële schadevergoeding.

Vonnis Rechtbank Oudenaarde

In het bestreden vonnis van de rechtbank van Oudenaarde van 10 februari 2015 werden de vorderingen ongegrond verklaard. De eerste rechter baseerde zich voor zijn afwijzing in essentie op de volgende motivering:

E. was niet chronisch ziek, maar was vanaf het tweede semester van het schooljaar 2012-2013 wel 21 dagen onafgebroken afwezig geweest zodat ze in aanmerking kwam voor thuisonderwijs en de school verplicht was een aanbod van TOAH te doen.

De aanvraag tot TOAH was ontvankelijk. Uit het advies van AgOdi kon niet afgeleid worden dat de school een fout in de zin van artikel 1382 BW had begaan. Met het concreet aanbod van synchroon internetonderwijs (Bednet) voldeed de school aan de doelstelling van artikel 117 van het Besluit van 17 december 2010. Er was geen fout van de school in haar oordeel dat het niet opportuun was om E. bijkomend met 4 uur per week thuisonderwijs te belasten aangezien ze medisch niet in staat was fysiek de les in de klas te volgen en de lessen via internet al te vermoeiend werden ervaren. Minstens gaat de school niet wetens en willens niet in op het verzoek tot thuisonderwijs. De school bood Bednet aan en mocht er redelijkerwijze van uitgaan dat zij aldus voldeed aan de doelstelling van de wetgever rekening houdend met de concrete fysieke beperkingen van E.

Hoger Beroep

Met het door hen ingesteld hoger beroep beoogden de ouders en het meisje (die tijdens de procedure meerderjarig is geworden) de toekenning van de door hen voor de eerste rechter gestelde vorderingen.

De fout was volgens hen dubbel:

  • Gebrek aan informatie vanwege de school tijdens het eerste semester van het schooljaar 2012-2013 over het recht van E. op TOAH
  • Het niet inrichten van TOAH na de officiële aanvraag – tijdens het tweede semester – vanwege de ouders

a) de fout

E. was – wat de school ook onderschreef – in het tweede semester al meer dan 21 kalenderdagen onderbroken afwezig op school, zodat ze ook op basis van de hypothese van een dergelijke langdurige afwezigheid recht had op TOAH. Aan E. diende ingevolge haar verzoek van 2 februari 2013 in elk geval TOAH aangeboden te worden door de school. Dat is niet gebeurd.

Geconfronteerd met haar onbetwistbare inbreuk op de reglementering, bracht de school vervolgens Bednet in het debat dat ze (in tegenstelling tot TOAH) wel heeft georganiseerd en zelf omschreef als vallend “onder het TOAH in de ruime zin”.

Het hof besloot dat E. ingevolge haar aanvraag van 2 februari 2013 recht had op TOAH, dat de school echter niet aanbood. De schending van de specifieke rechtsnorm in hoofde van de school staat vast.

b) wetens en willens

Die vaststaande schending moet wetens en willens zijn begaan. Er mag evenmin een grond tot uitsluiting van aansprakelijkheid voorhanden zijn. Uit de beschikbare gegevens bleek volgens het hof dat de school effectief uit vrije wil en met de vereiste kennis het concrete verzoek tot TOAH naast zich had neergelegd. Het hof besloot dat alle elementen in hun samenhang genomen onmiskenbaar leidden tot het besluit dat de – schuldbekwame – school “bewust en vrij” had besloten om geen TOAH op te starten in weerwil van het ontvankelijk verzoek daartoe.

c) het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade

Volgens de school ontbrak het E. aan de vereiste basiskennis om zelfs met TOAH een verstoring in haar schooljaar 2012-2013 te verhinderen. Nochtans had het meisje de voorgaande studiejaren gevolgd op dezelfde school die telkens leidden tot een A-attest.

De e-mailcorrespondentie van de mama van E. en E. zelf benadrukten integendeel het oorzakelijk verband tussen TOAH en het vrijwaren van de schoolkansen voor E.

In het tweede semester van 2012-2013 liet de schooldirectie hen zelfs in de waan dat TOAH zou worden opgestart, wat dan weer eventuele tijdige eigen (privé)-initiatieven heeft doen uitblijven. Het hof besloot dat het oorzakelijk verband tussen de fout en het niet ingaan op de vraag tot thuisonderwijs van de school en de daaruit voortvloeiende schade vast stond.

d) de schade

Door de hiervoor weerhoudende fout van de school werd de gewone gang van zaken onherroepelijk onderbroken en is de kans op een bepaald voordeel te verwerven door E., met name slagen in haar 5de jaar wiskunde-wetenschappen in het schooljaar 2012-2013 definitief verloren gegaan.

Het hof is in die specifieke omstandigheden, waarbij de essentie is dat E. de vorige jaren reeds een A-attest heeft bekomen en vervolgens is toegelaten tot de richting wetenschappen-wiskunde ongeacht de zogenaamde “eerste verstoring” van haar eerdere studieloopbaan wegens afwezigheid en de volgens de school beweerde ontbrekende basiskennis, van oordeel dat er een redelijke en reële kans bestond dat E. dankzij thuisonderwijs op het einde van het schooljaar 2012-2013 een A-attest zou bekomen hebben.

Het hof bepaalde deze kans op 50% zodat E. aanspraak kan maken op een vergoeding geraamd op 50% van de schade. De morele schade bij E. door de fout vanwege de school wordt voldoende duidelijk gemaakt door de inhoud van haar e-mail: zij is eenvoudigweg niet gehoord en effectief geraakt in haar zelfbeeld. De ouders van E. maken terecht aanspraak op een vergoeding wegens het verlies van het schooljaar ad 50% van 1000 euro, ofwel 500 euro.

Het hoofdberoep is gegrond.

De school wordt veroordeeld om aan E. 6875 euro te betalen en aan de ouders gezamenlijk 500 euro.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter a.i. Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Hof van beroep Gent, 30 maart 2017, rolnr. 2015/AR/977.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be