SALDUZ-WET TER DISCUSSIE GRONDWETTELIJK HOF
Rechtspraak 19/02/2013

Arrest Grondwettelijk Hof 14 februari 2013, nr. 7/2013, rolnummers 5316, 5329, 5331 en 5332

​ARREST GRONDWETTELIJK HOF

De Franstalige Orde van Advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse baleis , de Liga voor de Rechten van de Mens en haar Franstalige tegenhanger stelden bij het Grondwettelijk Hof beroep in tegen de Salduz-wet op grond van schending van verschillende grondrechten. De zgn. "Salduz-wet" wilde onze wetgeving betreffende het recht op toegang tot een advocaat en op diens bijstand gedurende de inleidende fase van het strafproces in overeenstemming brengen met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Alhoewel het Grondwettelijk Hof de meeste grieven tegen de wetsbepalingen verwerpt, vernietigt het Hof toch drie onderdelen van artikelen en verplicht het tot een grondswetsconforme interpretatie van twee andere bepalingen.

POSITIE VAN VERHOORDE VERDACHTE DIE NIET VAN ZIJN VRIJHEID IS BEROOFD VERSTERKT

Het Grondwettelijk Hof versterkt de positie van de verhoorde verdachte die niet van zijn vrijheid is beroofd. Het Hof wijst er in dat verband wel op dat de verhoorde verdachte wiens vrijheid niet is benomen, er door de overheid bij de aanvang van het verhoor moet worden aan herinnerd dat hij niet kan worden verplicht zichzelf te beschuldigen en hij zwijgrecht heeft, en bovendien, behoudens bepaalde uitzonderingen, het recht heeft vóór het verhoor een vertrouwelijk onderhoud te hebben met zijn advocaat die hem kan herinneren aan het recht van verdediging en de relevante aspecten van de strafrechtspleging uiteen kan zetten. Het Hof vernietigt een bepaling in zoverre zij niet erin voorziet dat de persoon die wordt ondervraagd over de misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd, erover moet worden ingelicht dat hij niet is aangehouden en dat hij bijgevolg op elk ogenblik kan gaan en staan waar hij wil.

BEPAALDE VERKEERSMISDRIJVEN

Het Grondwettelijk Hof heeft eveneens een probleem met één van de uitzonderingen op het recht op een vertrouwelijk overleg met de advocaat vóór het verhoor. Dat recht geldt immers niet wanneer het gaat om één van de wanbedrijven in art. 138, 6°, 6°bis en 6° ter van het Wetboek van Stafvordering. Die bepalingen hebben betrekking op bepaalde verkeersmisdrijven. 

Het Grondwettelijk Hof vernietigt deze uitzondering, zodat ook dan de niet van zijn vrijheid beroofde persoon recht heeft op een voorafgaand vertrouwelijk overleg met zijn advocaat.

WELKE SANCTIE BIJ SCHENDING VAN HET RECHT OP BIJSTAND VAN EEN ADVOCAAT VÓÓR HET VERHOOR OF TIJDENS DAT VERHOOR

Het is mogelijk dat verklaringen afgelegd zonder bijstand van de advocaat, door de feitenrechter in aanmerking worden genomen, wanneer zij worden bevestigd door andere bewijselementen, ook al werden die slechts bekomen als gevolg van de oorspronkelijke verklaringen.

Deze bepaling maakt het zelfs mogelijk dat dergelijke verklaringen op beslissende wijze worden gebruikt. Een dergelijke mogelijkheid is in beginsel niet verenigbaar met het recht op een eerlijk proces. Door het mogelijk te maken dat zelfincriminerende verklaringen die zijn afgelegd met schending van het recht op de bijstand van een advocaat, worden gebruikt om er een veroordeling op te steunen, zij het in combinatie met andere bewijselementen, is de bestreden bepaling ongrondwettig.

MINDERJARIGEN

Het Grondwettelijk Hof verwerpt ook de interpretatie van de bestreden wet op grond waarvan de minderjarigen van wie wordt vermoed dat zij een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, minder rechten zouden genieten dan de meerderjarigen die zich in dezelfde situatie bevinden. Er is immers bepaald dat de minderjarigen in tegenstelling tot de meerderjarigen, nooit afstand kunnen doen van het recht op de bijstand van een advocaat.

Het Grondwettelijk Hof erkent niet dat er onverantwoorde verschillen in behandeling zouden zijn tussen  verhoorde minderjarigen die al dan niet 'van hun vrijheid zijn beroofd' en, anderzijds, tussen minderjarigen die worden verhoord vóór het eventueel verlenen van een bevel tot aanhouding en diegenen die worden verhoord na het verlenen van het bevel tot aanhouding.

Auteur: Christine Melkebeek, ondervoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen.

Bronnen:

  • Arrest Grondwettelijk Hof 14 februari 2013, nr. 7/2013, rolnummers 5316, 5329, 5331 en 5332
  • Bij arrest nr. 7/2013 van 14 februari heeft het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over de beroepen tot vernietiging van de artikelen 2, 3, 4 en 7 van de wet van 13 augustus 2011.

Informatieve nota betreffende het arrest nr. 7/2013 "Ofschoon de "Salduz"-wet globaal de toetsing aan de fundamentele grondrechten doorstaat, versterkt het Grondwettelijk Hof met de vernietiging van drie bepalingen en een grondrechtconforme interpretatie van twee andere de positie van verdachten bij de eerste verhoren".www.grondwettelijk-hof.be

De redactie e-zine TJK werkt momenteel aan een visietekst inzake de Salduzwetgeving, specifiek gericht op minderjarigen. Deze tekst zal ondermeer gepubliceerd worden in de papieren drager van TJK/2 2014 en zal ook vertaald worden in een artikel voor ezine TJK.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be