Salduz – categorie 3 – minderjarige consulteerde geen advocaat voor eerste verhoor – deelde dit feit niet mee
Rechtspraak 25/09/2015

Rechtbank Eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne-Sectie Jeugd 30 april 2015, onuitg.

​Rechtbank eerste aanleg

Er vond een schermutseling plaats op de oprit van het slachtoffer S. tussen hem, C. en de minderjarige J. geboren in 1998. Deze feiten werden gefilmd door een camera die geplaatst was ter hoogte van de oprit van het slachtoffer. Uit het beeldmateriaal bleek dat de minderjarige op een ogenblik uithaalde naar de rug van het slachtoffer, naar één van de ramen van het voertuig en even later de ruitenwisser van de achterruit van het voertuig van S. bewerkte. Op een gegeven ogenblik diende het slachtoffer enkele trappen van C. af te weren, waarbij de minderjarige ondertussen een leiband vastnam en uithaalde naar S. Naderhand probeerde de moeder van de minderjarige te bemiddelen doch diende uiteindelijk haar partner te verhinderen verder uit te halen naar S.

De minderjarige J. verklaarde dat hij de ruitenwisser had afgetrokken maar niet tegen de wagen stampte. Hij verklaarde niet akkoord te gaan met een SOVA-training (Sociale Vaardigheidstraining) alhoewel hij de indruk gaf niet te begrijpen wat daar mee bedoeld werd. De raadsman van de minderjarige stelde dat de rechten van haar cliënt werden geschonden door het feit dat hij bij zijn eerste verhoor door de politie geen bijstand had gekregen van een advocaat, conform de Salduz-wetgeving. De moeder stelde dat door de verbalisanten niets werd vermeld nopens de geestelijke toestand van haar zoon die aan autisme lijdt.

De rechtbank stelde vast dat de minderjarige categorie III verhoord werd en verwees naar de verklaring van de moeder en ontkende alle aantijgingen. De rechtbank stelde vast dat het verhoren van de minderjarige door de politiediensten als een CAT III werd beschouwd, waarbij de verdachte/minderjarige niet gearresteerd werd. Uit het verhoor bleek dat : “geven aan de betrokken minderjarige kennis dat hij vrijwillig en weloverwogen schriftelijk afstand kan doen van voornoemd recht op een vertrouwelijk overleg, in een door hem ondertekend en gedateerd document, alsook op de uitnodiging dat “er zal geacht worden een advocaat te hebben geraadpleegd alvorens zich aan te melden voor het verhoor”. 

De rechtbank stelde vast dat de minderjarige, en niet de meerderjarige zoals in het verhoor vermeld werd tijdens zijn eerste verhoor geen bijstand van een raadsman verkreeg. De rechtbank stelde evenwel vast dat de minderjarige in kennis van zijn rechten werd gesteld en wel degelijk voorafgaandelijk de toegang toe een advocaat bij het politieverhoor had verkregen. De rechtbank was van oordeel dat indien er geen voorafgaande toegang tot een advocaat mogelijk was overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM (EHRM 13 oktober 2009, Dayanan t. Turkije nr. 7377), de strafvordering niet ontvankelijk was. 
De rechtbank stelde vast dat er een voorafgaande toegang mogelijk was, doch echter door de minderjarige of zijn ouders niet benut werd.

De minderjarige heeft ten allen tijde recht op bijstand van een raadsman en kan daarvan geen afstand doen, hetgeen een toepassing is van de rechtspraak van het EHRM inzake de minderjarige Salduz en van artikel 40 VRK (Gent 19 januari 2014, onuitg.; Gent 28 januari 2013, noot J. HUYSMANS, “Het recht van de minderjarige verdachte op bijstand van een advocaat bij het verhoor: enkele bijzonderheden”, TJK 2013/4, 387).

De rechtbank was van oordeel dat de strafvordering derhalve ontvankelijk is doch de verklaring van de minderjarige van 22 september 2014 als bewijs diende uitgesloten te worden. De rechtbank stelde vast dat er redenen voorhanden waren om de minderjarige een maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding op te leggen. De rechtbank wees specifiek op de aanwezigheid van een licht mentale beperking bij de minderjarige. Dit belet echter niet dat de minderjarige zijn handelingen en gedragingen niet dient te controleren. De vorderingen van de burgerlijke partijen werden ontvankelijk verklaard. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door de advocaat van de minderjarige en door het Openbaar Ministerie.

Hof van Beroep

Het Openbaar Ministerie was van oordeel dat wel degelijk de wet werd nageleefd en dat met de verklaring van de minderjarige rekening kon worden gehouden. Naar de visie van het Openbaar Ministerie hield de eerste rechter onvoldoende de rechten “voorafgaandelijk overleg met een advocaat” en “bijstand van een advocaat” uiteen. In het dossier is er op geen enkel ogenblik overgegaan tot vrijheidsberoving van J. Deze laatste had dan ook geen recht op bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor, zoals voorzien in artikel 47 bis § 3 Sv. met verwijzing naar artikel 2bis van de Voorlopige Hechteniswet. De eerste rechter kan niet worden gevolgd waar hij heeft beslist dat de verklaring van de minderjarige beklaagde, in afwezigheid van een raadsman, niet als bewijsmiddel kon dienen nu dit niet van toepassing is.

Uit het dossier bleek dat J. tot driemaal toe werd ingelicht omtrent zijn recht een advocaat te raadplegen. Voor, tijdens of na zijn verhoor heeft J. niet verklaard dat hij geen advocaat heeft geraadpleegd noch uitdrukkelijk gevraagd dat het verhoor pas zou plaatsvinden na overleg tussen hem en zijn eigen of een hem toegewezen advocaat. Ook zijn moeder en zijn stiefvader – die het verhoor bijwoonden – hebben daaromtrent geen enkele opmerking gemaakt (een bijkomende waarborg die ingevolgde een omzendbrief van het College van Procureurs-generaal aan een minderjarige is verleend). Alle wettelijke verplichtingen in verband met het verhoor werden nageleefd en er was geen enkele reden om toepassing te maken van de sanctie vermeld in artikel 47 § 6 Sv. en de verklaring van J. van 22 september 2014 als bewijs uit te sluiten zoals de eerste rechter heeft gedaan.

J. blijft gehouden de schade die de burgerlijke partijen hebben geleden te vergoeden. Deze schade staat in oorzakelijk verband met het foutieve handelen van J. De ouders zijn aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt wordt door hun minderjarige kinderen (artikel 1384, lid 2 BW). Het vermoeden van aansprakelijkheid van de ouders berust op een fout in de opvoeding ofwel op een fout in het toezicht. Het vermoeden van aansprakelijkheid wegens gebrek aan toezicht kan in hoofde van de vader niet weerhouden worden. Echter dient de aansprakelijkheid van de vader wel weerhouden te worden op grond van een gebrek aan opvoeding. De vader is duidelijk tekort geschoten aan zijn opvoedingsplicht ten aanzien van zijn zoon wat een fout in de zin van artikel 1384, 2de lid BW uitmaakt.
Het Hof van beroep stelde dat er geen reden was om de verklaring van de minderjarige van 22 september 2014 niet als bewijsmiddel te weerhouden en dat deze integraal tot de debatten behoorde. Het bestreden vonnis van de jeugdrechtbank werd in die mate tenietgedaan. Voor het overige werd het vonnis door het hof van beroep bevestigd.

Bijstand van een advocaat

Het recht op bijstand van een advocaat is afhankelijk van de ernst van de feiten en naargelang de verhoorde al dan niet is aangehouden.

In deze zaak werd J. niet aangehouden, het ging over feiten waarop een gevangenisstraf staat die gelijk is aan of meer is dan 1 jaar. Bovendien heeft de minderjarige recht op een vertrouwelijk overleg met de advocaat, voorafgaand aan het eerste verhoor. Dit wordt enkel voorzien bij het eerste verhoor. De minderjarige kan immers nadien zijn advocaat raadplegen omdat hij niet is aangehouden. 
Verhoor op uitnodiging

Op het terrein blijkt veel onduidelijkheid te bestaan in verband met minderjarige verdachten, maar de wet sluit niet uit dat zij ook schriftelijk uitgenodigd kunnen worden met vermelding van de feiten en rechten doch anderzijds stelt de wet dat zij geen afstand kunnen doen van een voorafgaand overleg met een advocaat.

In de praktijk wordt meestal onderzocht waarom de jongere geen advocaat heeft gecontacteerd en afhankelijk van zijn antwoord , de aard van het misdrijf en de omstandigheden zal worden beslist een nieuwe uitnodiging te maken voor verhoor. Deze tegemoetkoming geldt niet voor jongeren die op het tijdstip van het verhoor meerderjarig zijn geworden. In dit geval was J. 16 jaar.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Rechtbank Eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne-Sectie Jeugd 30 april 2015, onuitg.
  • Hvb Gent, Protectionele zaken 29 juni 2015, onuitg., 2015/2468.
  • L. BALCAEN, “Het politieverhoor van minderjarige verdachten”, e-zine TJK 2014-4.
  • C. MELKEBEEK, “Het verhoor van een minderjarige – algemene principes”, e-zine TJK 2014-4.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be