Rechtsplegingsvergoeding in familiezaak – ongedaan maken rechtsplegingsvergoeding
Rechtspraak 14/07/2016

Hof van beroep Brussel (familiekamer) 24 mei 2016, rolnr. 2015/FA/586.

​A en B zijn gescheiden, ze hebben vier kinderen waaronder A. die veertien jaar is. Op 24 juli 2015 liet de vader een dagvaarding betekenen aan de moeder m.b.t. de schoolkeuze voor A.  Op 12 augustus 2015 werd A. voor de eerste keer door de rechter gehoord. Bij het bestreden vonnis van 26 augustus 2015 werd de vordering van de vader ontvankelijk en gegrond verklaard.

Het meisje diende te worden ingeschreven bij de aanvang van het schooljaar 2015-2016 in een school. De moeder werd veroordeeld in de gerechtskosten ten belope van 310,14 € en de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 1320 €.

Hoger beroep

De moeder ging in beroep en vorderde een gedeeltelijke hervorming van het vonnis. Zij vorderde dat elke partij zou veroordeeld worden in de helft van de gerechtskosten van eerste aanleg en de rechtsplegingsvergoedingen om te slaan. Zij vorderde dat slechts de minimum rechtsplegingsvergoeding zou verschuldigd zijn. De vader vorderde dat het hoger beroep ongegrond zou verklaard worden.

Hof van Beroep

Beide ouders hadden A. in een andere school ingeschreven zonder het akkoord van de andere ouder. De ouders oefenen het ouderlijk gezag samen uit, dit betekent dat ze voorafgaandelijk overleg dienden te plegen aangaande kwesties zoals de inschrijving van A. in een middelbare school, en dat ze de handelingen m.b.t. het kind gezamenlijk dienen te stellen, en indien er geen akkoord bereikt kon worden, de zaak dienden voor te leggen aan de familierechtbank.

Horen minderjarige

De rechter in eerste aanleg,  besliste na het horen van de minderjarige dat het kind ingeschreven diende te worden in de door hem aangeduide school, er werd hiertegen geen beroep aangetekend, zodat deze beslissing niet meer ter discussie stond. De eerste rechter steunde zich onder meer op de wens die het kind hem tijdens het verhoor meedeelde aangaande haar schoolkeuze. Er lag geen bewijs voor dat het kind een andere wens aan haar moeder zou geuit hebben.

Het hof van beroep ging ervan uit dat de ouders de beste bedoelingen hadden wat de schoolkeuze betrof.

Geen winnende of verliezende partij

Dat een rechter beslist – na het kind gehoord te hebben – dat het kind in één van beide scholen moet worden ingeschreven worden, kan er geen sprake zijn van een “winnende” en een verliezende partij” in de zin van de artikelen 1017 Ger. W.(: “Tenzij bijzondere wetten anders bepalen verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt”.) en 1022 Ger. W.: “(De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij”.)

Rechtsplegingsvergoeding – artikel 3 VRK – artikel 22bis, vierde lid Grondwet – belang van het kind – billijkheid kostenverdeling in familiezaken

Het hof oordeelde dat: “De veroordeling – door de eerste rechter – van de moeder tot een rechtsplegingsvergoeding van 1320 €  (= het basisbedrag voor de niet in geld waardeerbare vorderingen) alleen maar riskeerde olie op het vuur te gooien waarvan het kind het eerste slachtoffer zou zijn. Daar waar overeenkomstig artikel 3 VRK en artikel 22bis, vierde lid Grondwet het belang van het kind de eerste overweging dient te zijn bij elke beslissing die het kind aangaat”.

Geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd

Het geschil in graad van hoger beroep was beperkt tot de financiële kwestie van het ten laste leggen en de begroting van de gerechtskosten. Overwegende dat nu het hoger beroep gegrond is, de moeder in graad van hoger beroep de winnende partij is en de vader de verliezende partij is.  Het hof van beroep besliste dat hierdoor ingegaan kon worden op de vordering van de moeder, meer bepaald dat elke partij veroordeeld zou worden in de helft van de gerechtskosten en er wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en hoger beroep verschuldigd zou zijn.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Hof van beroep Brussel (familiekamer) 24 mei 2016, rolnr. 2015/FA/586.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be