Rechtsbescherming van minderjarigen in het jeugdrecht nog steeds zwak
Rechtspraak 14/01/2013

Jeugdkamer (vakantiekamer) Brussel 4 september 2012, onuitg.

Jeugdkamer (vakantiekamer) Brussel, 30 augustus 2012, onuitg.

​Jongeren geplaatst in een gemeenschapsinstelling kunnen wel naar het Hof van Cassatie trekken om hun plaatsingsmaatregel aan te vechten. Jongeren geplaatst in een centrum voor voorlopige plaatsing kunnen dit niet. Tot deze verschillende gevolgtrekking kwam het Hof van Cassatie op basis van de Jeugdwet en de Wet betreffende de voorlopige plaatsing. Welk verschil ligt ten grondslag aan de verschillende behandeling van minderjarigen geplaatst in een gemeenschapsinstelling en deze in een centrum voor voorlopige plaatsing? De rechtsbescherming van minderjarigen is duidelijk, ondanks de hervormingen, nog te zwak aldus J. Put en S. Smets in TJK 2013/1 (nog te verschijnen).

In beide cases betreft het een jongere die door zwaar pestgedrag een minderjarige in levensgevaar bracht. De éné jongere werd geplaatst in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling, de andere in een centrum voor voorlopige plaatsing ( mede omdat er geen plaats was in de gemeenschapsinstelling). Hieronder bespreken we beide cassatiearresten.

1. Hof van Cassatie 16 oktober 2012, Juridat

De feiten


Er werd hoger beroep ingesteld door de minderjarige Louis en door de Procureur des Konings tegen een beschikking uitgesproken door de jeugdrechter te Brussel op 16 augustus 2012. Deze beschikking hield in dat de minderjarige diende toevertrouwd te worden aan de gemeenschapsinstelling De Zande, gesloten afdeling, voor een termijn van 3 maanden. De voorlopige tenuitvoerlegging werd bevolen.

Louis wordt verdacht van feiten, waarbij een minderjarig meisje om het leven kwam.

Louis erkent dat hij de donderdagavond vóór het overlijden van het jonge slachtoffer heeft meegedaan aan pesterijen die, zoals hij zelf stelt, veel te ver zijn gegaan. Er kan enkel worden gesteld dat de feiten waarvan Louis wordt verdacht en het uit de hand gelopen pestgedrag waarin hij erkent een aandeel te hebben getuigen van uitzonderlijk gevaarlijk gedrag.

Er kunnen ernstige vragen gesteld worden naar de persoonlijkheid van de minderjarige, naar zijn normen en waarden, zijn vriendenkring en het milieu waarin hij vertoeft. Ook indien Louis zich zou hebben laten uitdagen, opstoken, onder druk zetten, tot "te ver gegaan pestgedrag" wat volgens Louis het geval was, is zijn gedrag onrustwekkend. Aan de jeugdrechter verklaarde Louis dat hij heel goed en hard andere mensen kan pesten. Het pestgedrag was dus niet eenmalig. Nader onderzoek naar de persoonlijkheid en het milieu van de minderjarige zijn noodzakelijk. Deze onderzoeken werden door de jeugdrechter bevolen.

Gelet op de voorgaande gegevens is een maatregel van plaatsing in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling momenteel noodzakelijk ter bescherming van de openbare veiligheid. Deze maatregel is momenteel tevens in het belang van de veiligheid van de minderjarige zelf.

Uitspraak Hof van Cassatie: ontvankelijk maar ongegrond

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de voorwaarden tot voorlopige plaatsing van Louis in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling vervuld zijn. Gelet op de uitzonderlijke ernst van de feiten, waarvan het onderzoek nog volop aan de gang is en waarbij er nog onvoldoende duidelijkheid is over de precieze omstandigheden, en de noodzaak tot verder grondig onderzoek naar het gedrag en de persoonlijkheid van de minderjarige in een beveiligd en afgeschermd kader, komt een andere maatregel momenteel niet als voldoende voor ter bescherming van de openbare veiligheid en de minderjarige zelf. De plaatsing in een gesloten instelling betekent overigens geenszins dat er niet met de minderjarige wordt gewerkt en hij geen bijstand zou ontvangen, wel integendeel, dit is immers de doelstelling van een jeugdbeschermingsmaatregel, wat ook de plaatsing in een gesloten instelling is. De voorwaarden tot plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling, bepaald in de art. 52quater, 37, §2, 8° en 37, § 2 quater WJB zijn vervuld:

  • de minderjarige is tussen 12 en 14 jaar oud en wordt verdacht van een ernstige aanslag op het leven of de gezondheid van een persoon
  • de minderjarige geeft blijk van gedrag dat uitzonderlijk gevaarlijk is
  • de feiten waarvan hij wordt verdacht kunnen, in geval ze zouden gepleegd zijn door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf van 5 tot 10 jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg hebben
  • er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat Louis, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmaterieel probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden.
Louis tekende cassatieberoep aan tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel.
Het cassatieberoep was ontvankelijk maar werd verworpen.

Auteur: Christine Melkebeek, D.C.I.- Vlaanderen

Bron:

  • Jeugdkamer (vakantiekamer) Brussel 4 september 2012, onuitg.
  • Hof van Cassatie 16 oktober 2012, Juridat.

2. Hof Van Cassatie 25 september 2012, Juridat

De feiten

Ten aanzien van de minderjarige Pieter bestaan ernstige aanwijzingen van schuld voor feiten die kunnen gekwalificeerd worden als moord (art. 392-394 Sv.) Net zoals in bovenstaande case heeft deze minderjarige zich eveneens schuldig gemaakt aan ernstig pestgedrag ten aanzien van een 14-jarig meisje dat levenloos werd teruggevonden.

Er werd hoger beroep ingesteld door de raadsman van de minderjarige en door de procureur des Konings te Brussel tegen de beschikking uitgesproken door de jeugdrechtbank te Brussel op 16 augustus 2012 die de minderjarige toevertrouwt aan het Centrum "De Grubbe" vanaf 16 augustus 2012, met kosten ten laste van het Fonds Jongerenwelzijn, en de voorlopige tenuitvoerlegging van de beslissing beveelt.
De minderjarige Pieter wijst erop dat de strafvordering en/of vordering onontvankelijk minstens ongegrond is. Hij meent dat zijn recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld zijn geschonden. Hiertoe haalt hij aan dat zijn verhoor niet op regelmatige basis is gebeurd. 

 De schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, waarin wordt gemotiveerd dat geen herstelbemiddeling werd opgestart omdat niet voldaan is aan de voorwaarden zoals bepaald in art. 45quater WJB en waarbij de voorlopige plaatsing wordt gevorderd in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling en bij gebrek aan plaats in een gesloten federaal centrum, beantwoordt aan de wettelijke vereisten. De zaak is bijgevolg regelmatig aanhangig gemaakt bij de jeugdrechtbank. 

Evenmin blijkt dat de rechten van verdediging van de minderjarige, zijn recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) of het vermoeden van onschuld zijn geschonden. Uit geen enkel element blijkt dat het vermoeden van onschuld zou zijn geschonden. De minderjarige werd verhoord in het kader van een verhoor als verdachte en niet in het kader van een audiovisueel verhoor als slachtoffer of getuige. Uit het verslag van de jeugdrechter van 16 augustus blijkt dat de minderjarige zijn laatste verklaringen, zoals afgelegd aan de politiediensten bevestigd. Op geen enkele wijze maakt de minderjarige bijgevolg aannemelijk dat zijn rechten van verdediging of zijn recht op een eerlijk proces op enige wijze zouden zijn geschonden. 

Evenmin wordt enige schending van de wet van 8 april 1965 noch van het Verdrag voor de Rechten van het Kind (zonder dat een artikel wordt gespecifiëerd) aangetoond noch aannemelijk gemaakt.

Gelet op de uitzonderlijke ernst van de feiten waarvan de minderjarige wordt verdacht en de eerste bevindingen/bedenkingen omtrent het gedrag en de persoonlijkheid van de minderjarige kan niet worden ingegaan op het verzoek van de minderjarige om hem te laten terugkeren naar huis, ook niet mits voorwaarden.

De bestreden beschikking wordt bevestigd.

Uitspraak Hof van Cassatie: onontvankelijk


Tegen deze beslissing werd cassatieberoep aangetekend.
Het cassatieberoep was niet ontvankelijk en werd verworpen.

Auteur: Christine Melkebeek, D.C.I.-Vlaanderen

Bronnen en korte noot:

  • Jeugdkamer (vakantiekamer) Brussel, 30 augustus 2012, onuitg.
  • S. SMETS, J. PUT, "Nog steeds een wankele rechtsbescherming in het jeugdrecht", TJK 2013/1, 62: "In beide arresten werd cassatieberoep aangetekend tegen de bevestiging van een voorlopige plaatsingsmaatregel in hoger beroep. Het eerste cassatieberoep handelde over de voorlopige plaatsing in een afdeling van een gesloten gemeenschapsinstelling. In dit arrest werden de grieven door het Hof van Cassatie onderzocht. Het cassatieberoep werd ontvankelijk verklaard maar verworpen. Het cassatieberoep tegen plaatsing in het Centrum voor voorlopige plaatsing in Everberg werd onontvankelijk verklaard omwille van het feit dat een beslissing van de jeugdrechtbank in hoger beroep geen eindbeslissing is waartegen een ontvankelijk cassatieberoep kan worden ingesteld.Welk verschil ligt ten grondslag aan de verschillende behandeling van minderjarigen geplaatst in een gemeenschapsinstelling en deze in een centrum voor voorlopige plaatsing?". De frappante gevolgtrekking van het Hof van Cassatie op basis van de Jeugdwet en de Wet betreffende de voorlopige plaatsing maken duidelijk dat de rechtsbescherming van minderjarigen, ondanks de hervormingen, nog te zwak is".

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be