Recht op persoonlijk contact
Rechtspraak 04/02/2016

Hof van Cassatie 15 september 2015,  nr. P.15.0538.N, Juridat

​Cassatieberoep ingesteld door de vader van een minderjarige in het kader van een procedure jeugdbescherming

X. werd geboren uit de feitelijke relatie tussen C. en P. en werd door deze laatste erkend op 26 mei 2008. Deze relatie nam een einde in mei 2008 en sedertdien werden verscheidene beslissingen genomen nopens de uitoefening van het ouderlijk gezag, het omgangsrecht.

Bij vonnis van de jeugdrechtbank van Leuven dd. 22 januari 2014 werd de minderjarige onder toezicht gesteld van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulpverlening onder welbepaalde voorwaarden. Dit vonnis werd bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 23 april 2014. Op 3 december 2014 sprak de rechter van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank – de  minderjarige en haar moeder waren inmiddels verhuisd naar Middelkerke – een vonnis uit waarbij de genomen maatregel werd verlengd voor een periode van één jaar waarbij de minderjarige verder onder toezicht van de gerechtelijke jeugdhulpverlening werd gesteld in het moederlijk thuismilieu met een aantal aanvullende voorwaarden.

P. tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis, het Hof van beroep te Gent verklaarde dit beroep op 25 februari 2015 ongegrond. P. tekende daarop cassatie aan.

Op 12 mei 2015 heeft de vader in persoon een door hem ondertekend geschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie. Krachtens artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering zoals het werd ingevoerd door de wet van 14 februari 2014, kan, behalve het Openbaar Ministerie, de eiser in cassatie zijn middelen slechts aanvoeren :

  • in een memorie ondertekend door een advocaat. Het geschrift dat niet is ondertekend door een advocaat is derhalve niet ontvankelijk;
  •  tevens stelde zich de vraag of het cassatieberoep door de vader al dan niet diende betekend te worden aan de partij tegen hetwelk het gericht is.

Welke hoedanigheid heeft de vader in deze procedure?

De vader P. werd door de Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, gedagvaard teneinde, gelet op de verlenging van de genomen maatregelen tegen P. te horen bevelen en tevens zijn bijdrage aandeel in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten te laten bepalen.

Kan de vader in zijn hoedanigheid van eiser in cassatie bestempeld worden als een “vervolgde persoon”  in de zin van het Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering?

Sensu stricto heeft de strafvordering (zie ook R. VERSTRAETEN, S. DE DECKER, T. VAN HOOGENBEMT “Jeugd(beschermings) recht en strafrecht: een problematische relatie”, in Het Nieuwe Jeugdrecht, eds. J. PUT en M. ROM, Gent, Larcier, 2007, 111-145) al naargelang het geval, betrekking op een inverdenkinggestelde, een beklaagde of een beschuldigde. De hoedanigheid van een inverdenkinggestelde en beschuldigde is hier niet ter zake dienend, maar kon eiser in cassatie beschouwd worden als een beklaagde?

De “beklaagde” is de persoon tegen wie voor de rechtbank of het hof van beroep vervolgingen zijn ingesteld na dagvaarding of na verwijzing door het onderzoeksgerecht. (F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Brugge, die Keure, 2011, 33).

Door de wet van 14 februari 2014  (BS 27 februari 2014), met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken, werd de cassatieprocedure in strafzaken hervormd. Vanaf 1 februari 2016 moet een advocaat een getuigschrift van opleiding in cassatieprocedures kunnen voorleggen om cassatieberoep in strafzaken in te dienen en memories te ondertekenen.

In casu is er wel een dagvaarding, maar de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie is in zijn conclusie van oordeel dat gelet op de specifieke materie waarover het in deze zaak gaat, met name de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming, zoals gewijzigd bij de wetten van 2 februari 1994, 15 mei 2006 en 13 juni 2006, artikel 203 BW, het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbestand en de artikelen 512 en 102 van het Decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp er geen vervolgingen zijn ingesteld tegen de vader, eiser in cassatie. Volgens de advocaat-generaal, had de eiser die in cassatie geen vervolgde persoon is, zijn cassatieberoep dienen te betekenen aan de partij(en) tegen hetwelk het gericht was.

Het Hof van Cassatie verwierp het cassatieberoep.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Hof van Cassatie 15 september 2015,  nr. P.15.0538.N, Juridat

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be