Recht op kinderbijslag gerelateerd aan de verblijfsvoorwaarde van 5 jaar - verschillende behandeling van kinderen binnen een gezin
Rechtspraak 17/06/2013

Grondwettelijk Hof 21 februari 2013, nr. 2013/2

​Het recht op gewaarborgde gezinsbijslag is gelinkt aan een verblijfsvoorwaarde nl. de rechthebbende moet minstens vijf jaar werkelijk en ononderbroken in België verblijven voorafgaand aan de aanvraag. Op deze verblijfsvoorwaarde geldt een uitzondering als het rechtgevend kin de Belgische nationaliteit heeft.  

Dit kan in een gezin waarbij de kinderen verschillende nationaliteiten dragen, leiden tot de schizofrene situatie waarvoor voor het ene kind wel gewaarborgde gezinsbijslag wordt gekregen en voor het andere niet omdat de verblijfsvoorwaarde niet vervuld is. Het grondwettelijk hof besliste echter dat dit verschil redelijk verantwoord is en dat zolang geen gewaarborgde gezinsbijslag voor een kind verkregen kan worden men wel via het OCMW middelen kan vragen in het kader van maatschappelijke dienstverlening indien de voorwaarden daartoe wel vervuld zijn. 

DE FEITEN

De Congolese moeder Aïscha die in België over een verblijfsrecht beschikt heeft 2 kinderen.A van Belgische nationaliteit en B van Congolese nationaliteit. Kan Aïscha voor deze kinderen gewaarborgde gezinsbijslag krijgen ?

Aïscha voldoet niet aan de voorwaarde van minstens vijf jaar werkelijk en ononderbroken verblijf in België voorafgaand aan de aanvraag overeenkomstig art. 1 lid 6 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag (Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag). Op deze verblijfsvoorwaarde gelden een aantal uitzonderingen, onder andere voor rechtgevende kinderen met de Belgische nationaliteit. Bijgevolg ontvangt Aïscha gewaarborgde kinderbijslag voor kind A. Voor kind B daarentegen werd de gewaarborgde gezinsbijslag geweigerd omdat aanvraagster niet voldoet aan de verblijfsvoorwaarde.

De regeling gewaarborgde gezinsbijslag zou hier dus leiden tot een verschillende toepassing op kinderen in eenzelfde gezin omdat zij een verschillende nationaliteit hebben. De zaak wordt voor de arbeidsrechtbank en –hof gebracht en er wordt een vraag gesteld aan het grondwettelijk hof of het onderscheid tussen de 2 kinderen in vergelijkbare situatie met verschillende nationaliteit aanvaardbaar is.

ARBEIDSHOF BRUSSEL

Het Arbeidshof te Brussel onderzoekt allereerst of de voorwaarde van vijf jaar verblijf bepaald in art. 1, eerste en zesde tot achtste lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, in de eerste versie ervan die van toepassing was tot 28 februari 2009, op de Congolese moeder van toepassing is. Aïscha gaat er immers van uit dat zij niet aan de verblijfsvoorwaarde is onderworpen, aangezien zij valt onder de toepassing van de verordening (EEG) nr. 1408/71.

Volgens het Arbeidshof rijst de vraag of, niettegenstaande zijn vreemde nationaliteit, het kind B niet een voldoende band met België vertoont, terwijl op basis van de Belgische nationaliteit van zijn zuster, enerzijds, en van de regelmatigheid van zijn verblijf en dat van zijn moeder, anderzijds, de gezinskern die hij met zijn moeder en zijn zuster vormt, geroepen is om duurzaam in België te blijven.

ONDERSCHEID GEGROND OP DE NATIONALITEIT VAN DE KINDEREN

De bijzonderheid van deze zaak is dat zij een onderscheid in het licht stelt dat gegrond is op de nationaliteit van de kinderen die deel uitmaken van eenzelfde gezin.

ARBEIDSHOF STELT PREJUDICIËLE VRAAG AAN HET GRONDWETTELIJK HOF

Het Arbeidshof van Brussel vraagt aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt art. 1, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot vaststelling van gewaarborgde gezinsbijslag de art. 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met art. 191 van de Grondwet, met de art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en 14 van dat Verdrag of nog met de art. 2, §2, en 26, §1 van het Verdrag voor de Rechten van het Kind, doordat het van toepassing is op de buitenlandse aanvrager, die gemachtigd is in België te verblijven, in zoverre hij gezinsbijslag aanvraagt voor zijn kind dat onderdaan is van een Staat die geen lid is van de Europese Unie, terwijl het niet van toepassing is op dezelfde buitenlands aanvrager in zoverre hij gezinsbijslag aanvraagt voor zijn ander kind dat van Belgische nationaliteit is, waarbij aldus kinderen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden verschillend worden behandeld?".

UITSPRAAK GRONDWETTELIJK HOF

Het Grondwettelijk Hof besluit dat dit verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording is en dus kan. De prejudiciële vraag dient ontkennend beantwoord te worden. Bovendien kan, binnen de grenzen bepaald door art. 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de O.C.M.W.'s, om maatschappelijke dienstverlening worden verzocht, indien zou blijken dat, in afwachting dat aan de voorwaarden voor de toekenning van de gewaarborgde gezinsbijslag is voldaan, de bestaansmiddelen van de aanvrager hem niet toelaten te voorzien in de reële en actuele behoeften van het kind, zodat zijn gezondheid en zijn ontwikkeling worden gevrijwaard.

Bron:

  • Grondwettelijk Hof 21 februari 2013, nr. 2013/2, Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) 2013, p. 440, noot L. VAN ASCCHE.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be