Raad van State: islamleerkracht mag hoofddoek dragen
Rechtspraak 01/03/2016

Raad van State 1 februari 2016, arrestnr. 233.672

​Levensbeschouwelijke kentekens in het gemeenschapsonderwijs

Het beroep van 30 oktober 2013 strekte tot de nietigverklaring van de beslissing van 2 september 2013 van de directeur van de Basisschool Go! De Driesprong Maldegem, houdende de weigering om mevrouw X toegang te verlenen tot de basisschool Maldegem, vastgesteld bij vaststellingsfiche overhandigd op 6 september 2013. De beslissing van 5 september 2013 van de directeur van de Basisschool Go!, houdende de weigering tot opschorting van uitvoering van de omzendbrief 2013/1/omz van de Raad van het Go! En de beslissing, vastgesteld bij vaststellingsfiche van 6 september 2013 van de directeur van de Basisschool Go! Maldegem om mevrouw X niet aan te stellen wegens het dragen van een hoofdddoek.

De feiten

Mevrouw X was tijdens het schooljaar 2012-2013 als leermeester islamitische godsdienst in tijdelijk dienstverband, deeltijds – gedurende vier uren per week – werkzaam aan de basisschool De Driesprong Maldegem. Daarnaast werkte zij ook op een school van het provinciaal onderwijs.

De Raad van het Gemeenschapsonderwijs besliste op 5 juli 2013 om zijn neutraliteitsverklaring, die dateert van 28 april 2006, te actualiseren door de toevoeging van de zin: “Ik erken dat het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap neutraal onderwijs is en dat ik deze neutraliteit zoals die ingevuld wordt door Raad van het GO! zal respecteren”.

Op 31 augustus 2013 eindigde de tijdelijke aanstelling van mevrouw X. Op maandag 2 september 2013 bood zij zich op de school aan. De directeur verzocht haar om de omzendbrief te ondertekenen, wat zij weigerde.

Op donderdag 5 september 2013 weigerde de directeur in te gaan op het voorstel van verzoekster, om, in afwachting van een uitspraak over een hangend annulatieberoep bij de Raad van State, een uitzondering toe te staan op de toepassing van de voormelde omzendbrief. Op vrijdag 6 september 2013 weigerde zij opnieuw om de voorgelegde omzendbrief te ondertekenen en besliste de directeur dat zij niet kon worden aangesteld voor het schooljaar 2013-2014. Hiervan ontving zij een vaststellingsfiche.

Met twee identieke brieven van 13 en 20 september 2013 bevestigde het Executief van de Moslims van België de voordracht van mevrouw X als tijdelijke islamleerkracht voor het schooljaar 2013-14 voor acht uur in de betrokken basisschool.

Mevrouw X stelde dat haar hoofddoek werd beschouwd als een verboden uiterlijk kenteken van haar levensbeschouwing. Volgens mevrouw X werden onder meer de godsdienstvrijheid en het gelijkheidsbeginsel geschonden en zij betwistte de wijze waarop het Gemeenschapsonderwijs invulling geeft aan zijn neutraliteitsverplichting door ook de godsdienstleerkrachten buiten hun klaslokaal met dit verbod te viseren.

Dat sommige kentekens in casu een hoofddoek een sterk signaal zijn van dit engagement en permanent zichtbaar zijn, ontneemt het dragen van dit kenteken niet het karakter van bedachtzaamheid. De verwerende partij is er in haar ruime geschriften alvast niet in staat toe gebleken ook maar één voorbeeld te geven van een concrete situatie waarin het loutere dragen van een kenteken in het algemeen of de hoofddoek in het bijzonder, onaanvaardbaar is wegens de gegeven context. Overigens geldt het verbod in kwestie voor alle levensbeschouwelijke kentekens.

Raad van State

De Raad van State stelt vast dat het ambt van een leerkracht levensbeschouwelijke vakken verschilt van het ambt van een leerkracht algemene vakken. Bovendien houdt het ambt van godsdienstleerkracht zelf, uit de aard ervan, het persoonlijk engagement in van de betrokken leerkracht. Dit persoonlijk engagement gaat voor bepaalde godsdienstleerkrachten gepaard met het vertoon van de uiterlijke kentekens van hun levensbeschouwing.

Een verzoekster die beweert dat een welbepaalde handeling – zoals het dragen van een hoofddoek – behoort tot haar godsdienstvrijheid is niet verplicht om aan te tonen dat zij die handeling niet vrijwillig stelt, maar enkel om een verplichting na te leven die de bedoelde godsdienst dwingend voorschrijft.

Daarenboven zijn de taken en opdrachten van de leerkracht allesbehalve strikt beperkt tot wat zich afspeelt tijdens het godsdienstonderricht in het klaslokaal. Ook buiten de context van zijn lesopdracht kan voor hem een opvoedings- of onderwijssituatie bestaan die aanleiding kan geven tot het – op bedachtzame wijze – doen kennen van zijn persoonlijk engagement. Wat betreft de Franse Gemeenschap kwam de Raad van State reeds eerder tot eenzelfde besluit in arrestnummer 223.301 van 17 april 2013.

Het Gemeenschapsonderwijs, op wie een grondwettelijke verplichting rust om levensbeschouwelijk onderricht aan te bieden in de erkende godsdiensten, geeft een met artikel 24 van de Grondwet : (§ 1, Het onderwijs is vrij, elke preventieve maatregel is verboden, de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders), strijdige uitleg aan de door hem na te leven neutraliteitsverplichting indien hij de aanstelling weigert van een godsdienstleerkracht om de enkele reden dat die leerkracht een levensbeschouwelijk kenteken draagt en zou weigeren dit af te leggen buiten het leslokaal waar zij haar godsdienstonderwijs geeft.

De Raad van State vernietigt de weigering door de directeur van de basisschool De Driesprong Maldegem van 6 september 2013.

Raad van State – Franse Gemeenschap

De Raad van State kwam reeds eerder tot eenzelfde besluit in het arrest 17 april 2013, nr. 223.301. In dit arrest besliste de Raad van State dat de artikelen 5 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschapsraad van 17 december 2003 houdende de organisatie van de neutraliteit eigen aan het gesubsidieerd officieel onderwijs en houdende diverse maatregelen inzake onderwijs, niet als inhoud hebben dat ze “elke vorm van religieus symbool, zelfs op kledinggebied”, aan de leerkrachten van een erkende godsdienst kan verbieden. Een dergelijke expressie is immers inherent aan dergelijk onderwijs.

Artikel 8 EVRM – recht op privé – familie en gezinsleven

De personeelsleden van het vrij onderwijs en de personeelsleden van het officieel onderwijs vallen onder een verschillende rechtsbedeling. Personeelsleden in het vrij onderwijs zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst, met als gevolg dat de arbeidsrechtbanken en hoven bevoegd zijn. Personeelsleden in het officieel onderwijs zijn verbonden door een statuut, met als gevolg dat de Raad van State bevoegd is.

Het dragen van een islamitische hoofddoek zonder dat die een godsdienstige plicht is of zonder dat dit beschouwd wordt als een uitdrukking van een godsdienstige of politieke overtuiging, kan vallen onder het recht op bescherming van privéleven. Een beperking van iemands keuze van kledij kan daardoor een inmenging uitmaken van artikel 8 EVRM. Louter op basis van artikel 8 EVRM zal een hoofddoekenverbod moeilijk kunnen aangevochten worden. (G. MAES, “Bescherming van eigenheid en privéleven van leerkrachten in het vrij onderwijs”, T.O.R.B. 2006-2007, 207).

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Raad van State 1 februari 2016, arrestnr. 233.672


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be