Plaatsing van een kind in Franse Gemeenschap, toepassing Decreet Integrale Jeugdhulp en artikel 8 EVRM
Rechtspraak 29/01/2015

Rechtbank eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank 13 november 2014, onuitg.

De feiten

Op 5 december 2013 velde de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Dinant een vonnis waarbij voor de 14-jarige jongen C., op grond van het decreet (van de Franse Gemeenschap) inzake hulpverlening aan de jeugd van 4 maart 1991 een hulpverleningsmaatregel werd opgelegd. Daarbij werd beslist dat aan C. een tijdelijke huisvesting buiten zijn familiaal milieu werd verleend. Deze maatregel werd aangewend door de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, bijgestaan door de dienst voor gerechtelijke beschermingen voor maximaal 1 jaar. Eens dit vonnis is gewezen, heeft de jeugdrechter in de Franse Gemeenschap zijn taak beëindigd en valt de verdere afhandeling van de maatregel onder de (uitsluitende) verantwoordelijkheid van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd. Concreet betekent dit dat C. werd toevertrouwd aan een instelling in Carlsbourg.

Gedurende deze maatregel zijn de ouders van C. verhuisd in mei 2014 naar Wenduine. Artikel 44 §1 Jeugdbeschermingswet zoals gewijzigd door artikel 242 van de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank en in werking getreden op 1 september 2014 stelt dat de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank wordt bepaald door de verblijfplaats van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen, of, in geval van gezamenlijke uitoefening door gescheiden personen, door de verblijfplaats van de persoon bij de jongere gewoonlijk verblijft. Wenduine valt onder de territoriale bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

Artikel 44 § 6 Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de verandering van de verblijfplaats met zich meebrengt dat de zaak aan de aanvankelijke bevoegde rechtbank (in dit geval de rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Dinant, sectie jeugd) wordt onttrokken en verwezen wordt naar de jeugdrechtbank waar de nieuwe verblijfplaats zich bevindt. In deze zaak de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie jeugd. Op verzoek van het openbaar ministerie te Namen, afdeling Dinant is het dossier begin september 2014 via de griffie overgemaakt aan het openbaar ministerie West-Vlaanderen.

Beschikking Jeugdrechtbank

De jeugdrechter stelde vast dat de rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Dinant op 5 december 2O13 een vonnis velde waarbij C. voor de duur van één jaar uit huis werd geplaatst in een voorziening. Volgens het verslag van het OCJ werd het jeugdbeschermingsdossier van C. door de directeur jeugdhulpverlening bij de Franse Gemeenschap te Dinant al dan niet via tussenkomst van de procureur des Konings te Dinant, rechtstreeks overgemaakt aan de procureur des Konings te Brugge, de procureur maakte de zaak aanhangig bij het ondersteuningscentrum jeugdzorg (OCJ) te Oostende met het oog op het “onderzoek maatschappelijke noodzaak” overeenkomstig de decretale bepalingen. Gezien er door het OCJ maatschappelijke noodzaak werd vastgesteld, werd de zaak terug overgemaakt aan de Procureur des Konings voor verder gevolg. Dit was volgens de jeugdrechter een nieuwe tussenkomst van een buitengerechtelijk orgaan niettegenstaande er tot op heden nog steeds een gerechtelijke maatregel van toepassing is, uitgevaardigd op basis van het decreet van 4 maart 1991 relatif à l’aide de la jeunesse van de Franse Gemeenschap.

Decreet Integrale Jeugdhulp

Vervolgens werd de jeugdrechtbank op 4 november 2014 gevat bij toepassing van artikel 47, 1° Decreet Integrale Jeugdhulp teneinde over te gaan tot de navorsingen bedoeld in artikel 50 van de wet van 8 april 1965 en om de nodige gerechtelijke maatregelen overeenkomstig artikel 48 van het Decreet Integrale Jeugdhulp te bevelen.

Nieuw artikel 44 Jeugdbeschermingswet

De jeugdrechtbank stelde vast dat de geëigende procedure zoals voorzien door artikel 44 van de wet van 8 april 1965, zoals gewijzigd door de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank niet werd gevolgd. Deze bepaling is van toepassing in Vlaanderen, Brussel en ook in Wallonië. Dit impliceert dat enkel en alleen de jeugdrechtbank te Namen, afdeling Dinant de zaak regelmatig kan verzenden naar de jeugdrechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

Verder werden volgens de jeugdrechtbank de rechten van verdediging van de ouders manifest geschonden aangezien zij steeds overeenkomstig artikel 44 § 6 van de Wet van 8 april 1965 kunnen vragen om de zaak bij de jeugdrechtbank te Dinant te houden. Minstens had er aldus voor de jeugdrechtbank te Dinant een tegensprekelijk debat moeten georganiseerd worden waar alle betrokken partijen en het openbaar ministerie werden gehoord.

In de mate dat de directeur hulpverlening bij de Franse Gemeenschap het jeugdbeschermingsdossier op eigen initiatief heeft verzonden naar het parket te Brugge, is er volgens de jeugdrechtbank Brugge sprake van een bevoegdheidsoverschrijding. Ook na de zesde staatshervorming blijft de organisatie, territoriale bevoegdheid en rechtspleging voor de jeugdgerechten een federale bevoegdheid. Bijgevolg diende de procedure van artikel 44 § 6 van de wet van 8 april 1965 gevolgd te worden. Gelet op wat voorafging stelde de jeugdrechtbank van Brugge vast dat de jeugdrechtbank te Namen, afdeling Dinant nog steeds regelmatig is gevat om kennis te nemen van het jeugdbeschermingsdossier van C., de zaak wordt terugverwezen naar de Procureur des Konings ten einde hem toe te laten te handelen als naar rechte. De voorlopige tenuitvoerlegging van de huidige beschikking werd bevolen.

Het openbaar ministerie tekende beroep aan tegen de beschikking van de jeugdrechtbank te Brugge.

Hof van Beroep

Op verzoek van het openbaar ministerie te Namen, afdeling Dinant werd het dossier via de griffie overgemaakt aan het openbaar ministerie West-Vlaanderen, afdeling Brugge begin september 2014. Zelfs indien dit gebeurde via het parket op eigen initiatief van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd bij de Franse Gemeenschap dan nog is er geen sprake van bevoegdheidsoverschrijding in hoofde van deze persoon gelet op de specifieke taken en (uitsluitende) verantwoordelijkheden die aan de directeur zijn opgedragen bij artikel 33 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd.

Overmaken jeugdbeschermingsdossier van Franse Gemeenschap naar Vlaanderen

Het was de taak van de directeur het dossier aan de procureur des Konings over te maken bij verandering van verblijfplaats van de ouders. Het overmaken van het jeugdbeschermingsdossier is op een volledig regelmatige wijze gebeurd aangezien de jeugdrechter te Dinant ( en dit in tegenstelling tot wat de jeugdrechter te Brugge stelt) niet over de uitsluitende bevoegdheid beschikt om de zaak regelmatig te verzenden naar de jeugdrechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge. De tussenkomst van de jeugdrechter was (minstens voorlopig) afgesloten.

Er diende, gelet op de federale of decretale wetgeving voor de jeugdrechtbank te Dinant geen tegensprekelijk debat georganiseerd te worden waar alle betrokken partijen en het openbaar ministerie werden gehoord i.v.m. de onttrekking van de zaak aan de jeugdrechtbank te Dinant en de doorverwijzing naar de nieuwe territoriaal bevoegde rechtbank, zijnde de jeugdrechtbank van Brugge. Van zodra de rechtbank territoriaal niet meer bevoegd is, zal de jeugdrechtbank dit bij eenvoudige beschikking vaststellen zonder debat en zonder dat de partijen moeten gehoord worden. De rechten van de verdediging van de ouders werden niet geschonden omdat zij niet werden gehoord. Het blijkt niet dat de ouders, gelet op het nieuwe artikel 44 § 6 Jeugdbeschermingswet hebben gevraagd aan wie dan ook en op welke wijze ook dat de zaak aanhangig zou blijven bij de jeugdrechtbank waar ze reeds aanhangig was gemaakt. Evenmin hebben zij dergelijke vraag geformuleerd voor het hof naar aanleiding van de behandeling van de zaak op 3 december 2014.

Uit de gegevens van het dossier, de diverse verslagen die voorliggen en het verslag van doorverwijzing van het OCJ blijkt dat C. zich in een verontrustende situatie bevindt die het nemen van een gerechtelijke maatregel noodzakelijk maakt. De hulpverlening stelt vast dat de fysische en psychische integriteit van C. niet kan gewaarborgd worden door zijn ouders en dat zij zich niet kunnen plaatsen in zijn wereld. Aangezien de ouders thans verhuisd zijn, dient inzicht verkregen te worden in hun (nieuwe) leefwereld en actuele leefsituatie.

C. is volledig geïntegreerd in Wallonië en zelf wil hij dat zo behouden. Hij is het Nederlands niet machtig. Zijn ontwikkelingskansen zullen in het gedrang komen wanneer hij zou toevertrouwd worden aan een inrichting dit tot de grondgebied van de Vlaamse Gemeenschap behoort. Hij verblijft sedert sinds 2008 te Carlsbourg.

Artikel 8 EVRM

Overeenkomstig artikel 8 EVRM heeft eenieder het recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Dit recht impliceert dat op de overheden de verplichting rust om desgevallend oplossingen te vinden die zo weinig mogelijk belastend zijn voor het gezinsleven. Dergelijk recht houdt ook in dat de minderjarige moet kunnen worden geplaatst in een instelling waarin hij in zijn eigen taal (verder) kan begeleid worden. Een voorziening die afhangt van een bepaalde Gemeenschap moet een maatregel kunnen uitvoeren die op grond van de wetgeving van een andere Gemeenschap is genomen.

Belang van de minderjarige

Gezien de feitelijke en concrete omstandigheden eigen aan deze zaak dient C. in zijn belang en met het oog op de continuïteit van de hulpverlening verder toevertrouwd te worden aan de instelling in Carlsbourg van 3 december 2014 tot 2 december 2015, onder het toezicht van de Sociale Dienst voor Gerechtelijke Jeugdhulpverlening.

De strijdige beschikking van de jeugdrechtbank te Brugge werd teniet gedaan.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Dit arrest zal uitgebreid worden geannoteerd in TJK 2015/2.

Bronnen:

  • Rechtbank eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank 13 november 2014, onuitg.
  • Hof van beroep Gent (protectionele zaken) 3 december 2014, onuitg., 2014/JZ/122/.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be