Persoonlijk contact tussen halfbroers binnen neutrale bezoekruimte
Rechtspraak 05/12/2016

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank, 22 september 2016, rolnr. 16/2131/A.

​Eiseres q.q., werd bij beschikking van 18 augustus 2016 aangewezen als voogd ad hoc over de minderjarige G. zij vorderde voor de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Brugge, sectie familierechtbank, om een recht op persoonlijk contact van G. met zijn halfbroer N. toe te laten binnen een neutrale bezoekruimte. Ze vorderde tevens dat een dwangsom zou worden toegekend, telkens wanneer verweerster, de moeder, het toegekende persoonlijk contact niet zou nakomen. De vader werd gedagvaard in gedwongen tussenkomst middels dagvaarding.

De feiten

Verweerster is de moeder van G.D. geboren in 1999 en van N.V. geboren in 2006. Zowel de moeder als G. gaven in hun besluiten aan dat er tot op heden tussen hen geen enkel contact meer is en dit sedert 2014. Elke partij brengt daartoe een eigen verhaal, met eigen accenten. Vast staat dat de moeder en G. zich niet meer verzoend hebben en dat dat de moeder ieder contact met G. weigert, zo ook het contact tussen G. en zijn halfbroer N.

De thuissituatie is sinds midden 2014 volledig geëscaleerd, waarna G. thuis niet meer welkom was en hij een tijdlang introk bij zijn paternale grootouders (met wie de moeder hem ieder contact poogde te ontzeggen). G. erkende in de besluiten dat hij in die periode met foute vrienden contact had, met gebruik van middelen en overmatig drankgebruik tot gevolg. Hoewel hij nog steeds bij zijn grootouders gedomicilieerd is, wordt G. sinds enige tijd opgevangen in een TCK te Brugge (trainingscentra voor kamerbewoning), waarbij hij onder toezicht op een kamer woont en er kamertraining krijgt. Hij loopt sedert 1 september 2016 school aan het KTA te O. waar hij de richting deeltijds sport volgt. Hij is voor het overige deeltijds tewerkgesteld.

De moeder heeft in haar besluiten uiteengezet dat G. bij haar heeft gewoond tot september 2014. Sinds zijn vertrek zou de rust in het gezin teruggekeerd zijn en N. zou verder opgroeien in sereniteit. De moeder is van oordeel dat enkel G. de oorzaak is van de breuk tussen de partijen.

G. vorderde een recht op persoonlijk contact met zijn halfbroer in een neutrale bezoekruimte. Overeenkomstig artikel 375 BW kan aan iedere persoon die aantoont dat hij met een kind een bijzondere affectieve band heeft een recht op persoonlijk contact met het kind worden toegekend. Bij gebreke aan een overeenkomst tussen de partijen wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind beslist door de familierechtbank.

Familierechtbank

De bijzondere affectieve band tussen G.D. en N.V. staat onbetwistbaar vast. De rechtbank stelde vast dat de moeder daar in de besluiten geen betwisting over gevoerd heeft. G. was bijna acht jaar toen N. geboren werd. G. en N. hebben gedurende bijna acht jaar (van bij de geboorte van N. op 2 november 2006 tot september 2014) deel uitgemaakt van betreffend gezin. Gedurende die tijd is een hechte relatie van genegenheid en affectie tot ontplooiing gekomen.

De moeder meent dat het contact tussen G. en N. in strijd is met de belangen van N. omdat de leefwereld van N. zou kunnen aangetast worden door het ongezonde doen en denken van G. 
G. meent dat het contact met zijn halfbroer in het belang is van N. Kennelijk meent ook de vader van N. dat het contact met G. in het belang is van N., nu hij tijdens de zitting van 8 september 2016 bij monde van zijn raadsman verklaarde geen bezwaar te hebben tegen contacten tussen G. en N. Uit een eigenhandig schrijven van de moeder aan de jeugdrechter van 19 april 2016 bleek dat N. vier maanden eerder – buiten medeweten van de moeder – contact had met G. op een speelplein, waarbij foto’s gemaakt werden van N. en G. op een bromfiets. Kennelijk ging N. een contact met zijn halfbroer G. daarbij niet uit de weg, noch haalde de moeder dit contact aan om te stellen dat dit een negatieve invloed zou gehad hebben op N.

Elk kind moet de kans krijgen om met de mensen met wie hij een (kern)gezin vormde, verder contact te houden

De Europese rechtspraak benadrukt in toenemende mate het recht voor een kind op de kennis van zijn ontstaansgeschiedenis onder meer op grond van artikel 7 VRK en artikel 8 EVRM. Het kan niet ontkend worden dat de affectieve banden die gedurende jaren tussen de halfbroers gecreëerd waren sporen nalieten. G. was vast en zeker een belangrijke figuur tijdens de eerste levens- en jeugdjaren van N.

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang is van N. om een relatie met G. te kunnen opbouwen na de breuk tussen G. en zijn moeder. Volgens de rechtbank is het duidelijk dat de moeder G. definitief uit haar leven en dat van N. wil bannen. Welke ook de grieven kunnen zijn die wederzijds tussen G. en zijn moeder in hun breuk speelden, waarover de vader een eigen interpretatie heeft, is het evident dat elk kind de kans moet krijgen om met mensen met wie hij een (kern) gezin gevormd heeft, verder contact te houden. De contacten moeten natuurlijk worden heropgebouwd. Gezien de grote weerstand bij de moeder en de onduidelijkheid betreffende de situatie van G. moeten de contacten begeleid worden door de bezoekruimte.

De rechtbank verklaarde de hoofdvordering van eiseres q.q. ontvankelijk en thans voorlopig gegrond. Bepaalde dat de neutrale bezoekruimte H. wordt aangesteld om een contactherstel te bewerkstelligen tussen G.D. en N.V. waarbij N.V. dient gebracht en weer afgehaald te worden door de moeder. De tijdstippen van dit contact zullen worden vastgelegd in overleg met het bezoekhuis, conform het intern reglement en waarbij een maximale contactregeling zal worden nagestreefd. De bezoekruimte wordt verzocht om de contacten tegen de evaluatiezitting nader toe te lichten aan de rechtbank in een objectief verslag, gebeurlijk op vraag van de meest gerede partij. 
De zaak wordt ter evaluatie en verdere behandeling uitgesteld naar een latere zitting waarbij G.D. alle dienstige stukken dient voor te leggen betreffende de evolutie van zijn kamertraining, het schoolgebeuren en zijn tewerkstelling.

Vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Recht op persoonlijk contact tussen broers en zussen

Indien broers en zussen van elkaar gescheiden worden of indien zij elkaar, in het kader van de verblijfsregeling, onvoldoende treffen, dan rijst de vraag of zij een recht kunnen vorderen op persoonlijk contact met elkaar. Het recht op persoonlijk contact wordt beschermd door artikel 8 EVRM en vindt zijn beperkingen in het recht op privé- en gezinsleven van diegenen met wie het contact wordt gevorderd evenals in het algemeen belang.

Naar nationaal recht kunnen – gelet op de beperkte procesbekwaamheid van minderjarigen – enkel meerderjarigen zelf een recht op persoonlijk contact vorderen met hun broer of zus. Minderjarigen kunnen dit enkel via een vertegenwoordiger. Uitzonderlijk kunnen minderjarigen zelf in rechte optreden zonder bijstand van hun vertegenwoordiger. Het gaat om wettelijke uitzonderingen (bv. inzake arbeidsovereenkomsten, jeugdbescherming) ofwel om jurisprudentiële uitzonderingen (bewarende maatregelen, dringende en voorlopige maatregelen), handelingen die de persoon van de minderjarige rechtstreeks raken of handelingen waarbij het belang van de minderjarige tegengesteld is aan dat van zijn wettelijke vertegenwoordiger (zie Luik 4 april 2003, JLMB 2005, 455, in casu gaat het over een elfjarige jongen die tegen zijn ouders procedeerde i.v.m. de omstandigheden van zijn huisvesting. Zijn hoger beroep werd – met uitvoerige motivering – ontvankelijk verklaard, ook zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoodiger). Dit contactrecht is slechts een virtueel recht, waardoor geen onderscheid gemaakt wordt tussen volle, half- en stiefbroers en -zussen. Nu de bijzondere affectieve band die de virtueel contactgerechtigden moeten aantonen om het recht te doen ontstaan, gelijkgesteld moet worden met “gezinsleven” in de zin van artikel 8 EVRM, volstaat een bloedband op zichzelf niet om dergelijk contactrecht te bekomen.

Bijkomende omstandigheden – tijdens de zwangerschap en/of na de geboorte (bv. intens mee de zwangerschap beleven, na de geboorte een nauwe relatie hebben opgebouwd, …) – moeten het bestaan van een bijzondere affectieve band aannemelijk maken. Het recht hebben, betekent niet dat dit ook effectief kan worden uitgeoefend. Dit is enkel mogelijk indien dat niet strijdig is met het belang van de minderjarige broer of zus (art. 375bis, tweede lid BW).

Hoewel dit niet uitdrukkelijk in de nationale en internationale wetgeving staat ingeschreven, kunnen broers en zussen toch onrechtstreeks het recht laten gelden om niet van elkaar te worden gescheiden. Dit doen zij hoofdzakelijk via internationale grondrechten (bv. bescherming van het gezins- of privéleven: art. 8 EVRM; belang van het kind: art. 3, eerste lid en 18, eerste lid VRK), die al dan niet overgenomen en nader gepreciseerd zijn in de Belgische wetgeving (bv. belang van het kind werd o.a. overgenomen in art. 374, § 2, in fine BW). Uiteraard kunnen zij dit onrechtstreeks recht enkel laten gelden indien de zaak effectief voor de rechter komt, hetgeen bijvoorbeeld niet het geval is indien de niet-samenlevende ouders in onderlinge overeenstemming de verblijfsregeling bepalen. Worden zij toch van elkaar gescheiden, dan kunnen meerderjarigen zelf een contactrecht vorderen met hun broer of zus; minderjarigen kunnen dit enkel via hun wettelijke vertegenwoordiger. Daartoe moeten zij een bijzondere affectieve band aantonen. De effectieve uitoefening van dit recht is steeds afhankelijk van het belang van de minderjarige broer of zus.

Volgens R. Heps is het aangewezen om de bescherming van de band tussen broers en zussen uitdrukkelijk in de Belgische wetgeving in te schrijven. Daartoe heeft de wetgever twee mogelijkheden. Ofwel creëert hij één algemene bepaling. Deze wordt dan bij voorkeur – anders dan in Frankrijk – niet onder titel IX (ouderlijk gezag) ondergebracht, maar bijvoorbeeld wel in een aparte titel IXbis met als opschrift “(Bescherming van de band tussen) broers en zussen”. Zo kan deze bepaling in alle mogelijke situaties die aanleiding kunnen geven tot het scheiden van broers en zussen worden toegepast. Ofwel creëert hij spiegelbepalingen bij de regeling met betrekking tot de verblijfsregeling, de adoptie, de uithuisplaatsing in het kader van de jeugdbescherming en de uitzetting van vreemdelingen. (R. Heps, “Het recht van broers en zussen om niet van elkaar te worden gescheiden: een reeds bestaand recht?”, TJK 2011/1, 33, 34).

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank, 22 september 2016, rolnr. 16/2131/A.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be