Ouderlijk gezag - wijziging hoofdverblijf – onderhoudsvorderingen – toekenning kinderbijslag
Rechtspraak 30/10/2015

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge – sectie familie en jeugdrechtbank 6 maart 2014, onuitg. nr. 9.B.2013/21.

​Rechtbank van eerste aanleg - Jeugdrechtbank

De ouders van X (° 1993)  en Y  (° 1995) zijn bij onderlinge toestemming uit de echt gescheiden in  2011. Bij akte EOT verleden voor de notaris in juli 2011 werd een regeling vastgelegd waaronder de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, domicilie en hoofdverblijf van beide kinderen bij de vader.

In januari 2013 legde de moeder een verzoekschrift neer bij de jeugdrechtbank tot het bekomen van het domicilie en het hoofdverblijf van Y bij haar. Om te bepalen dat er geen omgangsrecht meer zou zijn tussen de vader en Y, of minstens deze omgang vrij te laten. De veroordeling van de vader tot de betaling aan de moeder van een maandelijkse onderhoudsbijdrage van 300 euro per maand (te indexeren) en dit met ingang van 1 december 2012. De toekenning van de integrale kinderbijslag aan de moeder. De vader vorderde dat vooraleer de rechtbank ten gronde zou oordelen de zaak zou worden verwezen  naar de arrondissementsrechtbank om te oordelen over de opgeworpen exceptie van onbevoegdheid. Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank van oktober 2013 werd de zaak teruggezonden naar de rechtbank van eerste aanleg, afdeling jeugdrechtbank. Op de zitting van de jeugdrechtbank van februari 2014 hernam de moeder haar oorspronkelijke vordering en vorderde de vader de afwijzing van de vordering van de moeder.

Artikel 387bis van het Burgerlijk Wetboek stelt dat de jeugdrechtbank “in alle gevallen” alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag kan opleggen of wijzigen. Wijziging van de overeenkomst aangaande de kinderen is dus mogelijk wanneer er sprake is van nieuwe, ingrijpende omstandigheden, zodat het in het belang van het kind zou zijn wijzigingen door te voeren aan wat destijds werd overeengekomen. De verhuis van Y naar de moeder waar hij nu voltijds verblijft, is een nieuwe omstandigheid, die een aanpassing rechtvaardigt.

Gelet echter op de ingetreden meerderjarigheid van Y zijn de vorderingen van de moeder omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag, de domicilie en de verblijfsregeling zonder voorwerp geworden. Er kan immers wat betreft de uitoefening van het ouderlijk gezag en de verblijfsregeling niet geoordeeld worden voor het verleden.

De jeugdrechtbank kan wel uitspraak doen over onderhoudsvorderingen van een ondertussen reeds meerderjarig geworden kind (gelet op de aanvaarde samenhang met de vorderingen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag en de verblijfsregeling).

Onderhoudsvorderingen

De jeugdrechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van retroactieve vorderingen inzake onderhoudsgelden, schooluitgaven of indexeringen bij gebrek aan samenhang met een vordering aangaande de verblijfsregeling. Er kan immers geen samenhang worden aanvaard met de vordering aangaande het ouderlijk gezag of de verblijfsregeling. Een beslissing omtrent een verblijfsregeling kan immers per definitie geen retroactieve werking hebben want ze geldt enkel voor de toekomst. Ten overvloede is het zo dat onderhoudsgelden niet dienen om gekapitaliseerd te worden doch om dag per dag opgebruikt te worden, waardoor het met terugwerkende kracht toekennen van bijdragen, in hoofde van de onderhoudsplichtige zou betekenen dat hij geconfronteerd wordt met een (meestal niet onaanzienlijke) kapitaalschuld terwijl het kind misschien al die tijd niet gekregen heeft waar het recht op had doch zonder dat deze situatie nog geremedieerd kan worden. Het is aan de onderhoudsgerechtigde om de vordering tijdig in te stellen. Een onderhoudsbijdrage kan derhalve door de jeugdrechtbank slechts toegekend worden vanaf de maand waarin het verzoekschrift tot het bekomen van bijdragen neergelegd werd.

Ouders zijn verplicht bij te dragen in de kosten van huisvesting, levensonderhoud, gezondheid, toezicht, opvoeding, opleiding en ontplooiing van hun kinderen (artikel 203 BW). Deze verplichting in hoofde van de ouders is van openbare orde, dient onmiddellijk gelenigd te worden (van dag tot dag te worden voldaan) en primeert op hun overige verbintenissen.

De bijdrage van elk van de ouders moet in verhouding zijn tot ieders aandeel in de samengevoegde middelen. Middelen is een begrip dat ruimer is dan alleen maar de actuele inkomsten. Het gaat onder meer om de financiële draagkracht, de mogelijkheden die de onderhoudsplichtige redelijkerwijze zou kunnen benutten, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen. De werkelijke kost van een kind hangt af van zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, de gevolgde opleiding en de levensstandaard van zijn ouders. De kosten van een kind omvatten enerzijds de gewone kosten en anderzijds de buitengewone kosten (artikel 203bis, §3 BW). De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten met betrekking tot het gebruikelijke onderhoud van het kind. De buitengewone kosten zijn de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorziene uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat in voorkomend geval als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdrage, overschrijden.

De jeugdrechtbank veroordeelde de vader om aan de moeder, met ingang van 1 januari 2013 en in de toekomst op voorhand tegen de vijfde van iedere maand, en onder aftrek van hetgeen sindsdien vrijwillig werd betaald, 250 euro per maand te betalen boven de gezinsbijslagen die integraal aan de moeder toekomen, als all-in bijdrage in de onderhoudskosten van Y. Deze alimentatie werd gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

De vader tekende beroep aan tegen dit vonnis.

Hof van Beroep Gent

De dochter A stopte met studies in 2012, is ondertussen tewerkgesteld en staat buiten het geding. De betwisting slaat enkel op zoon Y. De vader stelde dat hij tot november 2012 exclusief heeft ingestaan voor alle kosten en onderhoud van de kinderen, terwijl de moeder de doorbetaling van de helft van de kinderbijslag niet in nagekomen. De gebeurtenis die de moeder op tafel legde als ingrijpend gewijzigde omstandigheid is de keuze van Y om bij haar te gaan wonen (aanvang november 2012) naar aanleiding van een conflict met een vriendin van de vader. De overeenkomst blijkt wel een onpraktisch neveneffect te hebben. De meest concrete weerslag van de (onvriendschappelijke) hoofdverblijfwissel van Y van vader naar moeder is immers dat de vader nu zelf dient in te staan voor een reeks uitgaven voor Y die ze evenwel kan/mag verhalen op de vader binnen de contouren van hun bij overeenkomst bepaalde inschrijving zoals hierboven vermeld.

De eerste rechter ging eraan voorbij om deze gebeurtenis daadwerkelijk te beschouwen als de nieuwe omstandigheid die buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen zodanig ingrijpend wijzigde dat een herziening van de onderhoudsregeling zich opdrong. Als enig criterium werd weerhouden dat de onderhoudsplicht van openbare orde is en primeert op overige verbintenissen, zodat een onderhoudsvordering kan worden ingesteld. Hiermee werd enkel de ontvankelijkheid gedekt. Eens deze klip genomen ontzag de eerste rechter de overeenkomst, schafte deze tijdelijk af en begrootte een onderhoudsbijdrage volgens de wettelijke criteria om tot een all-in bijdrage te komen van 250 euro per maand boven de kinderbijslagen die integraal aan de moeder zouden toekomen. Deze oplossing diende teniet te worden gedaan.

De beslissing van de eerste rechter had de verdienste een financiële oplossing te bieden voor het geschil, doch de verhoudingen dienden benaderd te worden conform de geldende overeenkomst (de contributieregeling), de kinderbijslagregeling (nieuw akkoord) en de gewijzigde omstandigheid (leercontract van Y).

Het hof van beroep doet het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, afdeling jeugdrechtbank teniet voor wat betreft de veroordeling van de vader om vanaf 1 januari 2013 aan de moeder een onderhoudsbijdrage van 250 euro per maand met jaarlijkse indexaanpassing te betalen.

Zegt voor recht dat de moeder gehouden is om voor de overeengekomen kosten voor Y, geboren in 1995, meer bepaald de schoolkosten zoals inschrijvingsgeld, boeken en cursussen, abonnement openbaar vervoer, kosten van school- en studiereizen, geneeskundige en tandheelkundige verzorging (na aftrek teruggave door mutualiteit en eventuele verzekering), sportkampen, lidgeld sportclub of jeugdbeweging, kampen sportclub of jeugdbeweging, schoenen en jassen, de afrekening aan de hand van stavende stukken voor te leggen aan de vader vanaf november 2012, welke afrekening de vader aan de moeder dient te betalen. Bepaalt dat, zo de partijen desbetreffend geen andere overeenkomst of regeling bereiken, de vader hiervoor forfaitair 150 euro per maand aan de moeder kan betalen vanaf november 2012 tot en met augustus 2013, boven de kinderbijslagregeling. Verleent de partijen akte van hun akkoord dat de kinderbijslag vanaf januari 2013 integraal aan de moeder toekomt. Vanaf september 2013 kan Y zelf een deel dragen van de kosten waarvoor de vader instaat. De inkomsten uit zijn leercontract worden beschouwd als een nieuwe omstandigheid die buiten de wil van de partijen de toestand ingrijpend wijzigt voor een aanpassing. De onderhoudsbijdrage van de vader wordt vanaf dan door het hof forfaitair bepaald op 75 euro per maand.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge – sectie familie en jeugdrechtbank 6 maart 2014, onuitg. nr. 9.B.2013/21.
  •  Hof van beroep Gent 6 november 2014, onuitg. 2014/JR/85.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be