OPSCHORTING PERSOONLIJK CONTACT GROOTOUDERS - BELANG VAN HET KIND
Rechtspraak 13/05/2013

Jeugdkamer Gent 20 februari 2013, onuitg. 2008/JR/186

​Grootouders hebben een recht op persoonlijk contact met hun kleinkind. In het Burgerlijk wetboek (art. 375 bis) werd het als volgt verwoord:

" de grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. (....) Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des konings beslist door de jeugdrechtbank."

De nadruk wordt gelegd dat partijen proberen een praktische regeling overeen te komen. Lukt dat niet dan zouden de grootouders hun recht op contact kunnen afdwingen via de rechtbank. Het belang van het kind moet echter de doorwegende factor zijn om tot een beslissing te komen om het bezoekrecht al dan niet toe te kennen of onder bepaalde voorwaarden toe te kennen. Na een lange periode van onduidelijkheid, wijzigende omstandigheden, enz. kan het in het belang van het kind zijn om rust in te bouwen en het recht op contact niet toe te staan, althans voorlopig op te schorten.. 

DE FEITEN

Deze zaak kende een reeks van tussenarresten en draaide om het recht op persoonlijk contact tussen de grootouders en hun kleinkind enerzijds en ook het contact van de vader met zijn kind. 

In een voorlopig uitvoerbaar bestreden vonnis werd aan de grootouders Robert en Betty een persoonlijk contact ten aanzien van hun kleinkind X toegekend gedurende één namiddag per maand, bij gemis aan akkoord telkens de derde zondag van elke maand, van 14 tot 18.30 uur. De grootouders halen het kind af en brengen het terug bij de moeder. Na verloop van tijd dienden de grootouders hun kleinkind te bezoeken in het Bezoekhuis Brugge (CAW). Uit verslagen van het bezoekhuis bleek dat de grootouders contact hadden met hun kleinkind samen met een begeleidster.

In één van de vele tussenarresten werd gesteld dat onder de voorwaarden die het bezoekhuis oplegde bezoeken konden plaatsvinden buiten de muren van het bezoekhuis maar datr tijdens de contactmomenten met de grootouders geen contact mocht zijn met hun kleinkind en hun zoon, de vader van X. Deze regeling gold zolang de vader van X in beperkte hechtenis verkeerde. Evenwel indien hij later een eventueel regime van vrijheid had gedurende bepaalde weekends, dan mocht het contact met de grootouders slechts plaatsvinden tijdens de weekends dat de vader van het kind wel nog in de gevangenis verbleef. Indien de vader vrijkomt dienden de grootouders aan de moeder van X het bewijs voor te leggen dat hun zoon op een ander adres was ingeschreven dan het hunne. Alle contact tussen de vader en het kind wordt dus gemeden.

De grootouders bevestigen dat zij maandelijks sparen voor hun kleinkind. Dit gaat in de praktijk via een spaarboekje op naam van de moeder van grootvader met notarieel beding dat de begunstigde van de rekening het kleinkind is. De moeder stelt dat wanneer de grootouders dit aantonen met stukken in de hand dit voor hen een betekenisvol bewijs van vertrouwen zou zijn. In dat geval kan de moeder zich vinden in een contact van de grootouders met hun kleinkind onder toezicht van Het Huis zelfs buiten de muren zo dit volgens Het Huis kan. In eerste instantie ziet moeder dat contact beperkt tot één keer per maand. Moeder gaat er dan ook mee akkoord dat de overgrootmoeder langs vaderszijde, meekomt naar Het Huis als Het Huis dat goedvindt.

Uiteindelijk vordert de moeder de opschorting van het persoonlijk contact van het kind met de grootouders. In hun laatste conclusie (bijna vier jaar terug neergelegd) vorderen de grootouders het hoger beroep af te wijzen als ontoelaatbaar, onontvankelijk, minstens ongegrond.

De vorige raadsman van de grootouders meldt dat hij zonder instructies is en niet verder zal tussenkomen. Hij gaat ervan uit dat zijn cliënten dermate ontgoocheld zijn in de rechtsgang dat zij het opgeven.

De zaak wordt na jaren beoordeeld.

BELANG VAN HET KIND

In overeenstemming met art. 3.1 van het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de Rechten van het Kind moet het belang van het kind de eerste overweging zijn bij alle beslissingen betreffende kinderen.

Art. 375bis Burgerlijk Wetboek verduidelijkt dat de uitoefening van het recht op persoonlijk contact van de grootouders geregeld wordt in het belang van het kind.

Door het hof en de kamer, anders samengesteld, zijn talrijke en onderscheiden pogingen ondernomen voor een heropstart/goede invulling van het recht op persoonlijk contact van de grootouders met hun kleinkind.

Het volstaat te verwijzen naar de voorgaande procedures. Alle pogingen hebben gefaald. In het meerdere belang van het kind dringt de door de moeder gevraagde opschorting van het recht op persoonlijk contact van de grootouders zich op. Er is nood aan rust voor het kind. Verdere contacten in een neutrale ontmoetingsruimte komen in de gegeven omstandigheden zijn pedagogische ontwikkeling niet meer ten goede. Buitenbezoeken zijn voorlopig uit den boze zolang niet zeker is waar zijn vader zich ophoudt. Dit besluit dringt zich op overeenkomstig het advies van het openbaar ministerie, dat overigens reeds in 2009 in dezelfde zin adviseerde.

DE JEUGDKAMER

Het Hof schort het recht op persoonlijk contact tussen deze grootouders langs vaderszijde en hun kleinkind voorlopig op. De ouders zijn gehouden tot betaling van eventuele kosten wegens tussenkomst van Het Huis Brugge met uitsluiting van de moeder.

Auteur: Christine Melkebeek, ondervoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen, redactiesecretaris Actualiteit & Rechtspraak TJK

Bron:


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be