Ontzetting ouderlijk gezag
Rechtspraak 29/01/2015

Rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, Jeugdzaken 22 mei 2014, onuitg.

​De feiten

Het Openbaar Ministerie dagvaardde VDP, die in de gevangenis zit, om hem geheel of ten dele te ontzetten uit het ouderlijk gezag ten aanzien van zijn drie kinderen. VDP werd veroordeeld voor moordpoging op zijn minderjarige kinderen E (°2002), C (° 1997) en J (°1996) tot een hoofdgevangenisstraf van 10 jaar. De feiten die aanleiding gaven tot de moordpoging waren het gevolg van een relatiebreuk met zijn partner die hij emotioneel niet kon verwerken. Teneinde zijn doel te bereiken, met name zijn partner te dwingen terug te komen naar de gemeenschappelijke woonst, schrok hij er niet voor terug zijn kinderen rechtstreeks in gevaar te brengen. Hij besefte dat hij daarbij zwaar in de fout ging. Hij kan nu vrij goed inschatten wat dit emotioneel heeft betekend voor zijn kinderen en stelt zich als doel de relatie met hen te herstellen. De ontzetting uit het ouderlijk gezag werd in eerste aanleg voor de drie kinderen gevorderd maar werd afgewezen, het Openbaar Ministerie ging hiertegen in beroep. In hoger beroep werd de ontzetting ouderlijk gezag uitgesproken ten aanzien van de twee jongste kinderen. Het oudste meisje was ondertussen meerderjarig geworden en de vordering was volgens het hof van beroep zonder voorwerp geworden.

Rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling dendermonde, jeugdzaken

De jeugdrechtbank stelde dat voor de toepassing van artikel 32, eerste lid 2° Wet betreffende de Jeugdbescherming er op het ogenblik van de uitspraak een zekere potentialiteit naar de toekomst moet aanwezig blijven; ook al zijn er in het verleden feiten gebeurd die tot ontzetting aanleiding zouden kunnen geven, toch mag de ontzetting niet meer worden uitgesproken wanneer het gedrag en de instelling van de ouder(s) inmiddels dermate is geëvolueerd dat geen gevaar meer dreigt voor de kinderen. De jeugdrechtbank besloot dat niet werd voldaan aan de wettelijke vereisten om de gehele of gedeeltelijke ontzetting van VDP uit het ouderlijk gezag over de drie kinderen uit te spreken, zodat de vordering als ongegrond werd afgewezen. Tegen dit vonnis werd beroep ingesteld door het Openbaar Ministerie.

Hof van Beroep

Het hof van beroep vorderde bij tussenarrest een actualisatie van het maatschappelijk onderzoek alvorens te oordelen over de vordering tot ontzetting uit het ouderlijk gezag over de kinderen ten aanzien van de drie kinderen.

De ontzetting uit het ouderlijk gezag is een jeugdbeschermingsmaatregel en geen straf. De ontzetting uit het ouderlijk gezag heeft tot doel de betrokken minderjarige(n) te beschermen, niet het sanctioneren van een schuld of fout. Het is een maatregel die moet genomen worden ten aanzien van bijzonder onwaardige ouders wanneer de banden tussen de ouders en de kinderen moeten verbroken worden. De ontzetting uit het ouderlijk gezag zal niet worden uitgesproken wanneer ze de bescherming van de betrokken minderjarige(n) niet dient, ook al zou ze als sanctie verantwoord zijn. Omgekeerd zal de ontzetting moeten worden uitgesproken wanneer ze de enige manier is om de betrokken minderjarige(n) efficiënt te beschermen, ook al kunnen gedragingen die aanleiding geven tot de ontzetting niet worden ingepast in strafrechtelijke of burgerrechtelijke begrippen als opzet of fout.

Omwille van het ingrijpend karakter van de maatregelen, kan artikel 32, eerste lid, 2° Jeugdbeschermingswet slechts worden toegepast wanneer de feiten aanleiding hebben gegeven tot het vorderen van de maatregel een onbetwistbaar ernstig karakter hebben en als de ouder het kind ernstig in gevaar brengt en deze maatregel in het belang is van het kind. De ontzetting uit het ouderlijk gezag is en blijft een uitzonderlijke beperking op het recht op eerbiediging van het gezinsleven (artikel 8 EVRM). Daarnaast is in het tussenarrest ook verwezen naar artikel 3.1 IVRK dat het belang van het kind een eersterangs overweging dient te zijn en de kwestie ook vanuit het concrete oogpunt van het kind moet worden bekeken.

Er kan in geen enkel opzicht worden betwist dat de feiten, die aanleiding hebben gegeven tot de vordering van het openbaar ministerie onbetwistbaar een heel ernstig karakter hebben gehad. In de relatie tussen vader en moeder was er slechts één gesprek sedert de feiten waarbij de moeder een aantal frustraties kon uitten. De feiten wegen zwaar voor haar en zij is vragende partij om alleen de zorg te dragen voor haar kinderen en wil door een mogelijke ontzetting uit het ouderlijk gezag ten aanzien van de papa de kopzorgen van gezamenlijke beslissing en gedeelde verantwoordelijkheid achter zich laten. 

In de concrete omstandigheden dient rekening gehouden te worden met het geheel van de feiten en ervaringen van alle betrokken kinderen en kan niet geïndividualiseerd worden naar één van de kinderen om al dan niet tot ontzetting uit het ouderlijk gezag te besluiten. Het jongste kind heeft slechts sporadisch telefonisch contact met haar vader en is nog steeds aangedaan door de feiten, de consulent adviseert professionele ondersteuning. Het oudste kind heeft sinds 2010 geen contact meer met haar vader, ook zij zou gebaat zijn met professionele ondersteuning wat ook geldt voor het andere kind, dat wel nauwe contacten met haar vader onderhoudt en haar vader een tweede kans wil geven. Zij dient beschermd te worden en mogelijk afgeremd te worden.

De weloverwogen door VDP gepleegde feiten hebben op de kinderen een enorme impact gehad die er op vandaag nog steeds is. De gevaartoestand blijft aanwezig, ook al is deze op fysiek geweld er vandaag niet maar blijvend wel op psychisch gebied.

Terecht vordert het openbaar ministerie de ontzetting uit het ouderlijk gezag van VDP aangezien hij door slechte behandeling, misbruik van gezag, kennelijk slecht gedrag of erge nalatigheid, de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van zijn kinderen in gevaar brengt. Naast de ontzetting uit het ouderlijk gezag vordert het openbaar ministerie ook dat een persoon zou worden aangewezen die, onder toezicht van de jeugdrechtbank, de in artikel 33, 1° en 2° Jeugdbeschermingswet vermelde rechten zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen ter vervanging van de ontzette persoon. Uit de gegevens en de verslagen van maatschappelijk onderzoek zoals deze voorliggen blijkt niet dat het strijdig zou zijn met het belang van de kinderen E en C dat hun moeder, VDP zou vervangen. De kinderen verblijven bij hun moeder in een plus-gezin.

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is gegrond. De vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde sectie jeugd van 22 mei 2014 worden teniet gedaan. VDP wordt geheel uit het ouderlijk gezag ontzet ten aanzien van zijn kinderen E en C, en hun moeder wordt aangewezen om onder toezicht van de jeugdrechtbank de rechten uit te oefenen waarvan VDP is ontzet en de overeenkomstige verplichtingen die ermee verband houden te volbrengen.

Ontzetting uit de ouderlijke macht t.a.v. meerderjarige kinderen

Ten aanzien van het oudste kind J werd ook de ontzetting ouderlijk gezag gevorderd. Hangende het beroep was het meisje meerderjarig geworden. Het hof van beroep oordeelde dat de vordering van het Openbaar Ministerie zonder voorwerp was geworden.

Kan de ontzetting ouderlijk gezag ten aanzien van meerderjarige kinderen gevorderd worden?

Deze vraag kan bevestigend beantwoord worden.

Lange tijd bestond er controverse of de ontzetting ook kon worden uitgesproken ten aanzien van ouders van meerderjarige kinderen. Deze controverse werd door het Hof van Cassatie beslecht in het arrest van 6 mei 1987 (Pas. 1987, I, 1033; T.B.B.R, 1988, 318, noot Sosson). Het Hof baseerde zich op het feit dat de in artikel 33, 4° en 5°, van de Jeugdbeschermingswet bedoelde gevolgen ook na meerderjarigheid blijven voortbestaan.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 6 mei 1987 vond navolging in de rechtspraak. In de lijn van dit arrest wordt aangenomen dat de feiten die tot de ontzetting aanleiding geven, niet noodzakelijk vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd moeten hebben plaatsgevonden. Dit geldt in ieder geval voor de ontzettingsgrond vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van de Jeugdbeschermingswet, maar is minder evident voor de vorderingsgronden vermeld in artikel 33, eerste lid, 2°, en artikel 32, tweede lid, van de Jeugdbeschermingswet.

Zowel bij volledige als bij gedeeltelijke ontzetting van het ouderlijk gezag blijft de ouderlijke plicht tot onderhoud, opvoeding en een passende opleiding van het kind uit hoofde van de ontzette ouder bestaan. De ontzette ouder verliest dus zijn rechten maar niet zijn verplichting t.a.v. zijn kinderen.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

De vonnissen waartegen hoger beroep werd aangetekend en de arresten worden besproken in de annotatie: R. VASSEUR, “Ontzetting uit het ouderlijk gezag: geen straf wel jeugdbeschermingsmaatregel. Een toepassing”, te verschijnen in TJK 2015/2. Ook enkele topics zullen nader belicht worden.

Bronnen:

  • Rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, Jeugdzaken 22 mei 2014, onuitg.
  • HvB Gent, (vakantiekamer), tussenarrest 9 juli 2014, onuitg.
  • HvB Gent (protectionele zaken) 10 december 2014, onuitg., 2014/JZ/59.
  • SMETS, J., Jeugdbeschermingsrecht, APR, Kluwer, Antwerpen, 1996, nr. 591, 234; nr. 549, 235; nr. 598, 236-237; 251.
  • Wim D’HAESE, Politionele Jeugdzorg, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn, 2008, 93.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be