Onmogelijkheid voor een minderjarige om de opheffing te vragen van het beslag op zijn gsm & laptop
Rechtspraak 06/12/2015

Hof van beroep Gent, Kamer van Inbeschuldigingstelling, 18 augustus 2015, ARS, 2015/2913, onuitg.

​Door de substituut Procureur des Konings te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, werd op 5 maart 2015 de opdracht gegeven om de iPhone in beslag te nemen van de minderjarige X en een veiligheidskopie te nemen van zijn iMac, waarna die mocht teruggegeven worden aan de minderjarige X.

Op 27 maart 2015 liet de substituut Procureur des Konings te West-Vlaanderen aan de raadsman van de minderjarige weten dat de noodwendigheden van het onderzoek vereisten dat de iMac in beslag bleef.

Op 8 juli 2015 vroeg de minderjarige, bij verzoekschrift, de opheffing van het beslag op zijn GSM-iPhone en zijn laptop. Bij beschikking van 13 juli 2015 heeft de substituut dit verzoek afgewezen als ongegrond. Hiertegen tekende X op 24 juli 2015 hoger beroep aan. Het rechtsmiddel werd tijdig ingesteld.

X werd geboren op 11 november 1997 en was op het ogenblik van het instellen van het rechtsmiddel nog minderjarig. Een minderjarige is rechtsonbekwaam om proceshandelingen te stellen. Het Hof verklaarde het hoger beroep dan ook onontvankelijk.

Hoger beroep onontvankelijk

Artikel 28 sexies, § 2 Sv. bepaalt dat dit verzoekschrift moet worden toegezonden of neergelegd op het secretariaat van het parket. Er dient te worden vastgesteld dat dit in dit geval niet gebeurde. Het verzoekschrift werd uitsluitend verzonden per fax. De toezending per fax bevatte geen originele handtekening en voldeed daarom niet aan de voorschriften van artikel 61 quater Sv. (zie en vgl. Cass. 27 september 2011, P.11.1115.N; Arr. Cass. 2006, nr. 481;  R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2014, randnummer 675). Het initieel verzoekschrift was dan ook onontvankelijk waardoor er ook geen ontvankelijk beroep tegen kon worden ingesteld.

Niet-ontvoogde minderjarige onbekwaam om in rechte op te treden

Een niet-ontvoogde minderjarige is in principe onbekwaam om in rechte op te treden. Hij dient vertegenwoordigd te worden door diegenen die het gezag over zijn persoon uitoefenen (artikel 372 BW).

Wat de vertegenwoordiging van niet-ontvoogde minderjarigen betreft, bepaalt artikel 376 BW: “Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen beheren zij gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk ook als zijn vertegenwoordiger op”. Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen. De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij diegene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de familierechtbank wenden.

Krachtens deze bepalingen dienen beide ouders, wanneer zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, ook gezamenlijk als zijn vertegenwoordigers op te treden.

In dit dossier werd de procedure 28 sexies, § 2 Sv. opgestart door de minderjarige zelf. Enkel zijn ouders konden hem als niet-ontvoogde minderjarige in rechte vertegenwoordigen. In geval van belangentegenstelling tussen de minderjarige en zijn ouders kan er door de rechter bij wie de zaak aanhangig is of de vrederechter (artikel 378, § 1, laatste lid BW) een voogd ad hoc worden aangewezen om een procedure te voeren. In deze zaak lag er geen dergelijke machtiging voor.

De voorziening was onontvankelijk gelet op de onontvankelijkheid van het initieel verzoekschrift en de rechtsonbekwaamheid van de minderjarige om rechtshandelingen te stellen.

Uit het onderzoek van de GSM bleek dat er bezwarende afbeeldingen opstonden waardoor de GSM voor verbeurdverklaring vatbaar werd. De iMac diende nog onderzocht te worden en kon  omwille van de noodwendigheden van het onderzoek niet worden teruggegeven.

MOF

Niettegenstaande het feit dat de minderjarige een strafbaar feit pleegde (MOF) en hij partij is in deze zaak,  wordt  door de Kamer van Inbeschuldigingstelling toch verwezen naar het Burgerlijk Wetboek.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Hof van beroep Gent, Kamer van Inbeschuldigingstelling, 18 augustus 2015, ARS, 2015/2913, onuitg.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be