Objectieve onrechtmatige daad van een 3-jarig kind
Rechtspraak 02/03/2015

Hof van beroep Brussel 4 maart 2014, Juridat 2010 AR 2511.

​De feiten

Op zaterdag 17 juli 2004, kwam mevrouw X, ten val in het grootwarenhuis toen zij bijna in aanvaring kwam met de kleine E. Zij verloor even het bewustzijn en liep verwondingen op aan de knie en enkel. Een medewerker van het warenhuis noteerde in zijn ongevallenboekje: omstandigheden, gevallen bij het ontwijken van kinderen. Mevr. X legde de dag na de feiten een verklaring aan de verzekeraar af waarin zij toegaf zich van het gehele gebeuren weinig te herinneren. Zij herinnerde zich enkel dat ze zich tussen de rekken begaf en plots maakte een kleine jongen een beweging en kwam voor haar voeten lopen, waardoor ze met hem in contact kwam en samen op de grond vielen. Een werkman van het warenhuis kwam ter hulp. De moeder van het kind legde de dag van het ongeval een verklaring af. Waarbij zij verklaarde dat mevrouw X gebotst was met haar zoontje, die in de gang voor de kassa’s wandelde. Mevrouw X had het kind te laat gezien, het kind poogde nog achteruit te stappen. Doch het was te laat, mevrouw X wou het kind nog ontwijken door een stap naar rechts te zetten. Zij verloor daarbij haar evenwicht en viel op de grond. De moeder ging er van uit dat haar zoon niet verantwoordelijk was voor het ongeval. In 2008 werd door de rechter een getuigengehoor bevolen op vraag van mevrouw X.

Mevrouw X haalde de buitengerechtelijke bekentenis in hoofde van de moeder aan, die onmiddellijk na de feiten minstens impliciet had erkend dat de foutieve gedraging van haar zoon het ongeval had veroorzaakt.

In het tussenvonnis van 23 mei 2008 oordeelde de eerste rechter: “Zelfs indien [de moeder] haar aansprakelijkheid zou hebben erkend, wat dient te worden bewezen, maakt dit geen buitengerechtelijke bekentenis uit, en belet niets haar die aansprakelijkheid alsnog te betwisten (zie in die zin H. MINJAUW en J. VANDENDRIESSCHE,”Bewijs door bekentenis” in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, losbladig, VI.3, nr. 5375-5378). De verklaringen afgelegd door (de moeder) onmiddellijk na het ongeval zijn wel relevant in de mate dat zij betrekking hebben op de erkenning van de materiële feiten. De omstandigheid dat de moeder haar identiteit, telefoonnummer en adres kenbaar maakte alsook meedeelde dat zij een verzekering familiale aansprakelijkheid had onderschreven, impliceert niet dat zij bepaalde feiten erkende die haar aansprakelijkheid op zich bewijzen en evenmin dat zij de schijn uitte haar aansprakelijkheid te erkennen.

Bij het eindvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 mei 2010 oordeelde de eerste rechter dat mevrouw X geen bewijs leverde van en (objectief) onrechtmatige daad van het kind. Enkel het feit dat mevrouw X het kind ontweek stond vast, er werd niet aangetoond dat het kind een fout beging. Mevrouw X ging tegen deze beslissing in beroep.

Hof van Beroep

Het staat vast dat Mevr. X ten val kwam bij het ontwijken van het kind maar dit volstaat niet om een (objectief) onrechtmatige daad in hoofde van het kind aan te tonen. Mevr. X legt geen enkele verklaring van omstaanders in die zin voor en bewijst haar stelling niet. Dat het ongeval zich tussen de rekken voordeed bewijst geen (objectieve) fout van het kind nu die rekken heel dicht bij de kassa’s gelegen zijn, zodat de versie van de moeder niet tegengesproken wordt. Geen enkel objectief gegeven wijst naar enige bruuske of wilde beweging in hoofde van het kind.

Een eigen fout in de zin van artikel 1382 BW is in hoofde van de moeder evenmin aangetoond. In de mate dat zij haar 3-jarig zoontje rustig liet wandelen tussen de rekken, dicht bij de kassa’s, en hem niet aan de hand vasthield, heeft de moeder geen handelwijze aan de dag gelegd die onverenigbaar is met deze van een normaal zorgvuldige en voorzichtige winkelbezoeker in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst. De aanwezigheid van een vrij lopend kind op de plaats van het schadegeval is alles behalve buitengewoon.

Het hoger beroep is ongegrond.

Onrechtmatige daad kind

Indien het kind de jaren des onderscheids nog niet heeft bereikt en een onrechtmatige daad stelt, spreekt men van een objectief onrechtmatige daad. Het kind is dan niet aansprakelijk maar alsdan geldt wel het vermoeden van aansprakelijkheid van de ouders.

De rechter bekijkt of er “op het eerste zicht” sprake is van een foutieve of onvoorzichtige handeling zonder rekening te houden met de schuld (bekwaamheid). Onder andere zeer jonge kinderen zijn in principe niet schuldbekwaam. Desalniettemin blijkt dat sommige rechters toch vasthouden aan de idee dat de fout onlosmakelijk verbonden is aan het schuldaspect waardoor de leeftijd toch mee in rekening wordt genomen. Het Hof van Cassatie stelde in zijn arrest van 24 oktober 1974 (RW 1974-75, 1185) dat de leeftijd van de dader niet in aanmerking mag worden genomen om het al dan niet onrechtmatige karakter van het gedrag te beoordelen. In Antwerpen 14 mei 1996, Limb. Rechtsl. 1996, 158, noot A. VANDEURZEN, oordeelde de rechter dat het onverwacht de weg overlopen van een 5-jarig kind een objectief onrechtmatige daad uitmaakte; de Rb. van Turnhout 12 maart 1990, Turnh. Rechtsl. 1991, 59, oordeelde dat een vierjarig kind dat zich bedreigd voelde tijdens een spel en met stenen gooide waarbij het een ander kind verwondde een objectief onrechtmatige daad beging.

Voorbeelden waar de leeftijd wel in rekening werd genomen, Gent 22 november 1994, RGAR 1996, 235, deelnemen aan een balspel is geen onrechtmatige daad voor een achtjarige; Gent 21 juni 1994, JDJ 1996, 235, enkele meisjes tussen 6 en 8 jaar goten water over een schuin geplaatste tafel en borstelden daarbij om beurt dat water weg met een grote borstel. Wanneer één van hen bij dit spel het oog raakte van een ander meisje beging deze geen objectief onrechtmatige daad (M. BERGHMANS, L. BALCAEN, “Aansprakelijkheid voor buitencontractuele schade toegebracht door minderjarigen”, Kinderrechtengids, 2004, 4). Ook in de rechtsleer menen een aantal auteurs waaronder DEBUISSSON en BOCKEN dat wel degelijk rekening moet worden gehouden met de leeftijd van de minderjarige. Zij beroepen zich op een arrest, waarin het Hof van Cassatie rekening hield met de jonge leeftijd van het kind (Cass. 5 juni 2003, NjW 2004, 14, noot I. BOONE)

Deze verschillende beoordelingscriteria geven aanleiding tot zeer uiteenlopende rechtspraak, die zeker niet bijdraagt tot de rechtszekerheid.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be