Nederland: twaalfjarige jongen weigert verdere chemobehandeling – krijgt gelijk van de rechter
Rechtspraak 21/06/2017

Rechtbank Noord-Holland (KG), 12 mei 2017, nr. C/15/257410/KGZA 17-264.

​De feiten

In deze zaak gaat het over de vordering van een vader tot vervangende toestemming voor een medische behandeling van zijn 12-jarige zoon.

De jongen wil geen verdere (chemo) behandeling na een operatie en radiotherapie van een medulloblastoom. De behandelend oncoloog heeft nadat haar was meegedeeld dat de jongen geen verdere behandeling wilde, hem opnieuw door een psychiater laten onderzoeken op zijn wilsbekwaamheid.

De psychiater heeft de jongen wilsbekwaam bevonden. De behandelend oncoloog en de Stichting Jeugd en Gezinsbeschermers hebben de keuze van de zoon gerespecteerd.

De vader heeft een affectieve relatie gehad met de moeder. Uit deze relatie is X geboren. De relatie is in 2006 geëindigd. De ouders hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag over de jongen. Bij hem werd op 23 november 2016 een hersentumor (medulloblastoom) geconstateerd. Hij werd in november 2016 geopereerd, waarbij de tumor werd verwijderd. Er waren op dat moment geen bekende uitzaaiingen. Aansluitend is gestart met een dagelijkse bestralingsbehandeling gedurende zes weken. In aanvulling op de bestraling zou een chemokuur gedurende vier a vijf weken moeten worden gegeven, welke chemokuur mogelijk een jaar lang zou moeten worden herhaald. Na de radiotherapie is de jongen “schoon” verklaard. Als gevolg van de tumor is het gezichtsvermogen van X ernstig aangetast.

Hij en zijn moeder schaarden zich niet achter de vervolgbehandelingen in het reguliere medische circuit en gaven geen toestemming voor het door de behandelend kinderoncoloog geadviseerde behandeltraject. 
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft daarop een voorlopige ondertoezichtstelling alsmede een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verzocht, teneinde het mogelijk te maken het geadviseerde behandeltraject tijdig te starten.

Moeder en zoon weigerden verdere medische behandeling

Bij beschikking van de rechtbank van Noord-Holland van 19 december 2016 is de moeder gedeeltelijk in de uitoefening van haar gezag over X geschorst en wel ten aanzien van de medische behandeling, werd X uithuisgeplaatst bij zijn vader voor de duur van vier weken en werd hij voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 maart 2016.

Bij beschikking van de rechtbank van 29 december 2016 werd de jongen onder toezicht gesteld van de Stichting de Jeugd en Gezinsbeschermers (GI) voor een termijn van 12 maanden tot 29 december 2017. Daarbij bleek dat de moeder inmiddels openstond voor de behandeling in het reguliere medische circuit, zij gaf aan aangegeven dat het in het belang van haar zoon was om het reguliere behandeltraject voort te zetten en dat zij zich haar zoon hierin ging steunen.

Bij beschikking van 30 december 2016 van de rechtbank van Noord-Holland werd het verzoek tot uithuisplaatsing van X , voor zover het de periode vanaf 16 januari 2017 betrof, afgewezen en werd bepaald dat de gedeeltelijke schorsing in het gezag van de moeder, te weten ten aanzien van de medische behandeling van X , in tijd werd beperkt tot 16 januari 2017.

De jongen heeft de bestralingsbehandeling van zes weken afgemaakt. Op 24 februari 2017 heeft hij bij de gezinsvoogd aangegeven te willen stoppen met de behandeling en geen verdere chemotherapie te willen. Ook heeft hij zijn behandelend arts , hiervan op de hoogte gebracht. Daarnaast heeft hij de kinderrechter een brief geschreven inzake zijn wens tot het staken van de behandeling.

Recht op zelfbeschikking 12-jarige

De zaak kenmerkt zich door de vraag naar het recht op zelfbeschikking (recht op fysieke integriteit) van een 12-jarige. Volgens de Nederlandse wet is voor een ingrijpende medische handeling toestemming nodig van een 12-jarige, mits deze wilsbekwaam is. Bij wilsbekwaamheid heeft een 12-jarige ook het recht om geen toestemming te verlenen, ook bij levensbedreigende situaties.

Op verzoek van de Raad is een onderzoek naar de wilsbekwaamheid van X gedaan. Dit onderzoek werd verricht door een kinder- en jeugdpsychiater. Deze deskundige heeft onderzoek gedaan naar de diverse aspecten van de beoordeling van de wilsbekwaamheid van X.

De vader heeft de gezinsvoogd van de GI verzocht een verzoek tot vervangende toestemming medische behandeling op grond van artikel 1:265h BW in te dienen. De gezinsvoogd heeft dit geweigerd.
De vader vorderde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de GI ten onrechte geen procedure voor vervangende toestemming medische behandeling van X aanhangig heeft gemaakt en daarom het in dit vonnis X de voor hem noodzakelijke behandeling te laten ondergaan.

De vader voerde aan dat hij denkt dat X ten aanzien van de consequenties van zijn beslissing niet geheel wilsbekwaam is. De moeder zou de jongen ook niet hebben gestimuleerd en stimuleren de noodzakelijke behandeling te ondergaan omdat zij hier van meet af aan niet echt achter heeft gestaan, maar meer de oplossing in alternatieve geneeswijzen zoekt.

Beoordeling

Deze zaak betreft de uitoefening, door een twaalfjarige jongen , van zijn grondwettelijk recht op fysieke integriteit. Dit recht omvat het recht om gevrijwaard te worden van schendingen van en inbreuken op het lichaam door anderen en komt onder meer tot uitdrukking in het toestemmingsvereiste voor medische behandeling dat is neergelegd in art. 7:450 BW. Aan het toestemmingsvereiste ligt het zelfbeschikkingsrecht ten grondslag.

Wilsbekwaamheid is een belangrijke voorwaarde voor zelfbeschikking. De wetgever gaat ervan uit dat minderjarigen van 12 jaar en ouder in beginsel wilsbekwaam zijn. De wettelijke terminologie luidt, dat iemand “in staat moet zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen “ter zake”, waarbij “ter zake” doelt op waardering van de belangen die betrokken zijn bij een concrete beslissing of aangelegenheid.

De beoordeling of de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de medische behandeling wordt in het wettelijk systeem overgelaten aan de behandelend arts, aangezien het de behandelend arts is die moet bepalen jegens wie hij zijn uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen moet nakomen.

Gezien de verstrekkende betekenis van deze beoordeling pleegt de behandeld arts een collega- arts/psychiater om advies te vragen. De uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij de behandelende arts.

Indien de minderjarige, zoals hier, onder toezicht is gesteld biedt artikel 1:265h BW in enkele gevallen de mogelijkheid om de kinderrechter in te schakelen. Dit artikel luidt als volgt: “1. Indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming op verzoek van de gecertificeerde instelling worden vervangen door die van de kinderrechter. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een medische behandeling van een minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”.

Rechtbank Noord-Holland in kort geding

De rechter achtte het begrijpelijk dat de vader vanwege de uitkomst van de door zoon gemaakte afweging vraagtekens plaatste bij diens wilsbekwaamheid, maar ziet geen ruimte om die afweging niet te respecteren. 

In de door de wetgever gemaakte keuze om wilsbekwame patiënten van 12 jaar en ouder het recht toe te kennen om ook in levensbedreigende situaties over hun behandeling te beslissen ligt besloten dat dan ook moet worden gerespecteerd dat die beslissing door een kind wordt genomen.

Mede door de wijze waarop dokter V. dat proces bij X heeft getoetst, moet worden aangenomen dat de jongen tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is en zich de gevolgen van zijn beslissing - ook de negatieve - realiseert.

Ook als in ogenschouw wordt genomen dat de statistische kans op terugkeer van de tumor bij het niet-volgen van de chemotherapie aanzienlijk groter is (75-80% versus 50 %), kan niet worden gesproken van een onzinnige afweging. X heeft zijn beslissing kennelijk met name genomen met het oog op de kwaliteit van zijn leven nú. Het recht om die keuze te maken vloeit direct uit het zelfbeschikkingsrecht uit

Dat de vader vermoedde dat er sprake was en is van beïnvloeding door de moeder, die een oplossing zoekt in alternatieve geneeswijzen en dat de zoon heeft moeten kiezen tussen enerzijds de reguliere medische en anderzijds de alternatieve geneeswijzen, leidt niet tot een andere conclusie. Dat X door zijn moeder is beïnvloed bij het maken van zijn keuze, is niet onaannemelijk. Ook dat betekent echter niet dat hij op onzinnige gronden tot zijn beslissing is gekomen.

De rechter wees de vordering van de vader af.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter a.i. Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Rechtbank Noord-Holland (KG), 12 mei 2017, nr. C/15/257410/KGZA 17-264.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be