Nederland – Gerechtshof afd. familiekamer – twaalfjarige mag chemo blijven weigeren
Rechtspraak 12/09/2017

Gerechtshof Amsterdam, 11 juli 2017, rolnr. 200.216.218/01, http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:2668

Rechtbank Noord-Holland (Kg.) 12 mei 2017, nr. C/15/257410/KGZA 17-24.

​Zaak in hoger beroep

In het e-zine van juni 2017/4 werd de vordering van een vader tot vervangende toestemming voor een medische behandeling van zijn zoon besproken. De rechter achtte het begrijpelijk dat de vader bij de beslissing van zijn zoon vraagtekens plaatste bij diens wilsbekwaamheid, maar zag geen ruimte om die afweging niet te respecteren. De rechter in kort geding wees de vordering van de vader af.

De vader tekende hoger beroep aan en verzocht het gerechtshof te Amsterdam (meervoudige familiekamer) onder andere dat de Stichting Jeugd en Gezinsbeschermers (hierna Stichting) zou veroordeeld worden tot directe medewerking aan de medische behandeling en/of de vervangende toestemming daartoe, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000, voor iedere dag na de uitspraak dat zij daaraan geen uitvoering zou geven en/of niet haar medewerking niet zou verlenen.

Voor het geval de toestemming van de moeder nodig was maar zij geen toestemming voor de medisch noodzakelijke behandeling wenste te verlenen, eveneens aan de vader en de Stichting vervangende toestemming te verlenen voor een noodzakelijke medische behandeling. Dan wel subsidiair, de Stichting op te dragen binnen zeven dagen na dit arrest een nieuw wilsbekwaamheidsonderzoek bij de minderjarige te laten uitvoeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5000 per dag of deel van een dag dat aan dit bevel niet binnen de aangegeven termijn gehoor zou worden gegeven.

De Stichting vroeg het hof, tot niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van de vader, dan wel deze vorderingen ongegrond te verklaren, met bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Beoordeling

De beslissing van de eerste rechter kwam er op neer, dat gelet op de brief van de arts, er geen reden was om aan te nemen dat de jongen niet is staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen met betrekking tot de behandeling met chemo. De vader keerde zich tegen dit oordeel en verzette zich tegen de door de eerste rechter uitgesproken kostenveroordeling.

Het hof kwam tot het oordeel dat dr. S. bij haar beoordeling van de minderjarige wilsbekwaamheid niet over één nacht ijs was gegaan. In de maanden na de operatie in november 2016 waren er verscheidene contacten geweest tussen dr. S. en de jongen. Gedurende die periode had dr. S. in toenemende mate de indruk gekregen dat de jongen in zijn wensen ten aanzien van zijn behandeling inmiddels wilsbekwaam was, in weerwil van de bevindingen van kinderpsychiater dr. H. in haar rapport van 19 december 2016. Tegen deze achtergrond heeft dr. S., nadat de jongen op 24 februari 2017 aan de gezinsvoogd had aangegeven geen verder chemotherapie te willen, de jongen verwezen naar dr. V. voor een nieuw onderzoek naar zijn wilsbekwaamheid. Nadat dr. V. tot de conclusie kwam dat de jongen op dat moment wilsbekwaam was, heeft dr. S. deze wens van de jongen gerespecteerd.

De vader betwistte de validiteit van het onderzoek en de conclusie van dr. V. Het hof volgde hem niet in dit betoog. En stelde dat de grief van de vader, dat de eerste rechter ten onrechte zou geoordeeld hebben dat er geen reden was om aan te nemen dat de jongen niet in staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, onontvankelijk was.

Veroordeling in proceskosten

De vader was tevens van oordeel dat de eerste rechter de proceskosten had moeten compenseren, aangezien het een zaak betrof met betrekking tot het personen- en familierecht en er dus geen goede gronden waren voor een proceskostenveroordeling.

Het hof was van oordeel dat de eerste rechter de vorderingen van de vader in eerste aanleg terecht had afgewezen. Het hof zag niet in waarom de vader, wiens doel was ervoor te zorgen dat zijn zoon zo snel mogelijk terug werd behandeld met chemokuren, ervoor koos de Stichting aan te spreken. Hij zou dit resultaat eveneens hebben kunnen nastreven door bijvoorbeeld bij de kinderrechter een spoedverzoek op grond van artikel1:253 a lid 1 BW in te dienen. Desnoods vergezeld van een verzoek om een provisionele voorziening. De advocaat van de vader verklaarde dat volgens haar een dergelijk verzoek gedurende de ondertoezichtstelling niet mogelijk was. Deze opvatting vond geen steun in het recht en het hof was dan ook van oordeel dat de vader de Stichting nodeloos in rechte had betrokken waardoor een proceskostenveroordeling op zijn plaats is. De eis slaagde niettemin gedeeltelijk. In het bestreden vonnis werd de vader onder meer veroordeeld tot het betalen van de advocaatkosten ten belope van € 816. De Stichting had echter in eerste aanleg geen advocaat. De proceskostenveroordeling kon dan ook in zoverre niet in stand blijven.

Het hof wees het beroep af en bekrachtigde het eerste vonnis.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Gerechtshof Amsterdam, 11 juli 2017, rolnr. 200.216.218/01, http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:2668
  • Rechtbank Noord-Holland (Kg.) 12 mei 2017, nr. C/15/257410/KGZA 17-24. 
  • E-zine TJK 2017/4, “Nederland: Twaalfjarige jongen weigert verdere chemobehandeling – krijgt gelijk van de rechter”.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be