NMBS: geen verplichting om beroep te doen op Bijzondere Jeugdbijstand voor aanvraag OCMW-ondersteuning
Rechtspraak 24/02/2014

Arbeidsrechtbank Gent 10 januari 2014, onuitg. A.R. nr. 13/50/A.

​In deze zaak oordeelde de Gentse arbeidsrechtbank dat niet elke niet begeleide minderjarige zich in een POS bevindt en in de Bijzondere Jeugdbijstand terecht moet. Als de voogd en de NBMV menen dat er geen sprake is van POS, zijn ze niet verplicht dergelijke begeleiding aan te vragen alvorens zich op steun van het OCMW te beroepen. In deze case was het OCMW van oordeel dat ze geen maatschappelijke dienstverlening gelijk aan het leefloon diende uit te keren aan de NBMV.

DE FEITEN

De 16-jarige M is afkomstig uit Afghanistan. Op 21 december 2010 diende hij een asielaanvraag in en werd toegewezen aan het opvangcentrum Sint-Pieters-Woluwe. Op 14 januari 2011 werd hij toegewezen aan het opvangcentrum Langemark-Poelkapelle. Vervolgens werd hij op 4 februari 2011 toegewezen aan het opvangcentrum Klein Kasteeltje. Op 19 mei 2011 werd hij toegewezen aan het opvangcentrum Florennes en op 14 maart 2012 aan het opvangcentrum Erquelinnes. Op 11 april 2012 werd hij toegewezen aan het opvangcentrum Sint-Pieters-Woluwe.

Op 15 maart 2012 besliste de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen om aan eisende partij niet de status van vluchteling toe te kennen, doch wel de status van subsidiaire bescherming.

Vanaf 10 mei 2012 woonde M alleen in Sint-Jans-Molenbeek, met bijstand en begeleiding van een deelwerking van de vzw Minor-Ndanko, met name de Dienst Begeleid Zelfstandig Wonen van de vzw Lisanga. Hij ontving maatschappelijke dienstverlening overeenstemmend met het barema leefloon als alleenstaande van het OCMW Molenbeek en een installatiepremie. Met ingang van 15 oktober 2012 heeft Mowi een huurcontract in Gent. Lisanga leende aan M 350 € voor de waarborg en de eerste huishuur in Gent.

Op 26 oktober 2012 diende M bij het OCMW een aanvraag in tot financiële steun.

OCMW BESLIST OM GEEN LEEFLOON TOE TE KENNEN

Het OCMW besliste op 4 december 2012 om vanaf 26 oktober 2012 geen maatschappelijke dienstverlening overeenstemmend met het barema van het leefloon toe te kennen. Enkele dagen ervoor dagvaardde M het OCMW. De rechter in kort geding verklaarde de vordering van M deels gegrond.

BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

De rechtbank stelt op de eerste plaats vast dat er omtrent een aantal relevante gegevens in deze zaak geen betwisting bestaat tussen partijen. M is minstens tot 31 december 2013 te beschouwen als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. M beschikt over een legaal, tijdelijk verblijfsrecht. Evenmin bestaat er betwisting over de behoeftigheid van M.

De centrale discussie tussen M en het OCMW luidt of op basis van deze niet-betwiste gegevens het OCMW gehouden is tot toekenning van maatschappelijke dienstverlening aan M dan wel terecht heeft beslist om hem deze dienstverlening vanaf 26 oktober 2012 te ontzeggen.

ELK KIND DAT LEGAAL IN BELGIË EN NIET MENSWAARDIG KAN LEVEN HEEFT RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING

De arbeidsauditeur verwijst in haar advies naar het arrest van het arbeidshof te Gent dd. 2 september 2013 (AR 2013/AG/75, onuitg. ) Dit arrest stelt dat elk kind dat legaal in België verblijft en niet in staat is menswaardig te leven, recht heeft op maatschappelijke dienstverlening, hetgeen ook door andere arbeidsgerechten wordt bevestigd.

Er dient te worden aangenomen, dat de hulpverleningsopdracht van het OCMW algemener van aard is en voorgaat op de bijzondere en specifieke opdracht van de sector van de bijzondere jeugdbijstand. Dit standpunt kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en werd meermaals bevestigd in de rechtspraak van arbeidsgerechten.

Ook ten overstaan van de bijzondere doelgroep van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen kan het standpunt van het OCMW dat haar hulpverleningsopdracht residuair is ten overstaan van de opvangmogelijkheden in de sector van de bijzondere jeugdbijstand niet worden verdedigd.

Het blijkt dat niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, binnen de opvangstructuren van de bijzondere jeugdbijstand, enkel nog opgevangen worden in pleeggezinnen en het tot hen gerichte “categoriale” aanbod, dat, ook vandaag nog, slechts een beperkt aantal plaatsen kent. Bedoeling is om enkel nog de meest hulpbehoevende niet-begeleide minderjarigen vreemdelingen in de opvangstructuren van de Bijzondere Jeugdzorg terecht te laten komen.

GEEN VERPLICHTING OM BEROEP TE DOEN OP BIJZONDERE JEUGDBIJSTAND

Het OCMW verwijt M dat hij niet gepoogd heeft om in aanmerking te komen voor opvang binnen de opvangstructuren van de bijzondere jeugdbijstand, om reden dat hij zelf geen aanvraag tot tussenkomst bij het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg heeft ingediend. Dit argument kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin een grondslag vormen voor de bestreden beslissing.
Uit het dossier blijken geen afdoende ernstige elementen (POS) om M en diens voogd te verplichten om beroep te doen op de bijzondere jeugdbijstand of om de eventuele toekenning van maatschappelijke dienstverlening te onderwerpen aan het indienen van een dergelijke aanvraag. De rechtbank wenst op te merken dat de maatstaf van menselijke dienstverlening – ook een element van keuzevrijheid kan inhouden met betrekking tot de wijze waarom men zelfstandig zijn leven wil organiseren en dat de zelfstandigheid en de autonomie van de hulpvrager bevorderen in de doctrine wordt aanzien als een component van diens waardigheid als mens.

FINANCIËLE STEUN IN DIT GEVAL MEEST PASSENDE VORM VAN HULPVERLENING

Het OCMW stelt dat financiële steun niet de meest passende vorm van hulpverlening vormt.

De rechtbank is van oordeel dat de toekenning van maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële steun in deze zaak als de meest passende vorm van hulpverlening kan aanzien worden rekening houdend met de inkomsten die hij heeft verworven in de uitvoering van zijn leercontract.

Het OCMW is gehouden tot maatschappelijke dienstverlening onder de vorm van financiële steun gelijk aan het leefloon voor een alleenstaande, en dit vanaf 26 oktober 2012, rekening houden met de inkomsten die M heeft verworven in de uitvoering van zijn leercontract.

Auteur: Christine Melkebeek, vice-voorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Arbeidsrechtbank Gent 10 januari 2014, onuitg. A.R. nr. 13/50/A.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be