Minderjarige voldoende beschermd tegen voyeurisme in het Zweeds recht? toetsing van een concrete casus bij het EHRM
Rechtspraak 03/01/2013

EHRM 21 juni 2012, E.S./Zweden, Appl. nr. 5786/08

​Artikel 8 EVRM –het recht op privéleven- houdt ook positieve verplichtingen in voor staten om te zorgen dat er een beschermend kader is voor dat privéleven. In een concrete casus waarin een naakte minderjarige stiekem door haar stiefvader gefilmd werd, kwam de vraag of er in Zweden wel een voldoende beschermend kader is bij voyeurisme m.a.w. of er sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Het EHRM besliste uiteindelijk dat er in deze concrete casus voldoende bescherming was omdat in Zweden op dat ogenblik het heimelijk filmen van derden niet strafbaar is, maar de feiten in kwestie wel vielen onder de strafbepalingen m.b.t. kinderpornografie en aanranding van de eerbaarheid en de minderjarige. In casu besliste het Hof dat er dan ook geen schending was van de positieve verplichtingen volgende uit artikel 8 EVRM. Niet alle rechters in het Hof deelden echter die mening.

We lichten het arrest toe.

De feiten

Isabelle ontdekt op veertienjarige leeftijd dat haar stiefvader een videocamera verborgen had in de wasmand in de badkamer. De camera was in opname modus en was gericht op de plaats waar Isabelle zichzelf uitgekleed had vooraleer ze een douche zou nemen. Isabelle overhandigde de camera aan haar moeder en zag vervolgens hoe de opname door haar moeder en stiefvader werd opgebrand. Van het voorval werd 2 jaar later aangifte gedaan en een jaar later werd de stiefvader aangeklaagd wegens aanranding.

De stiefvader werd in eerste aanleg veroordeeld. De rechtbank was van oordeel dat het seksuele opzet van de betrokkene was aangetoond door het verbergen van de camera en het op Isabelle richten ervan. In beroep werd de stiefvader echter vrijgesproken. Het hof was van oordeel dat het in de bedoeling van de betrokkene lag om in het geniep Isabelle te filmen en dit met een seksueel opzet, maar dat het daarentegen niet in diens opzet lag dat Isabelle hier zou achterkomen noch dat betrokkene een onverschillige houding aangenomen had ten overstaan van het feit dat Isabelle het voorval zou ontdekken. Bovendien was het filmen van seksueel "misbruik" volgens het hof in Zweden geen misdrijf vermits er geen algemeen verbod bestond op het filmen van een individu zonder zijn of haar toestemming. Hoewel de feiten volgens het hof een aantasting uitmaakten van de persoonlijke integriteit van Isabelle in het licht van haar leeftijd en de gezagsverhouding tot haar stiefvader, was het hof daarna eveneens van oordeel dat die laatste niet strafrechtelijk verantwoordelijk geacht kan worden voor het enkele filmen van Isabelle buiten haar weten om.

De betrokkene werd als dusdanig vrijgesproken en de vordering tot schadevergoeding van Isabelle werd afgewezen. Eind 2007 weigerde het Hooggerechtshof in laatste aanleg het beroep van Isabelle en de strafprocedure werd beëindigd.

De klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Begin januari 2008 dient Isabelle klacht in bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ( EHRM) dat Zweden tekortschiet in haar verplichtingen omtrent art. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op privéleven) en art. 13 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) doordat zij geen effectief rechtsmiddel kan aanwenden tegen de seksuele handelingen van haar stiefvader, in het bijzonder dat er in Zweden geen wet is die het filmen van een persoon zonder zijn of haar toestemming verbiedt.

Het EHRM oordeelde dat niettegenstaande de Zweedse wet inderdaad zweeg omtrent het heimelijk filmen van personen, de Zweedse wet toch strafbepalingen bevat op basis waarvan de handelingen in kwestie zouden kunnen worden bestraft. Als gevolg van de aangifte aan de politie werd een strafrechtelijk onderzoek opgestart. De zaak werd onderzocht voor drie verschillende rechtbanken. De rechtbank van eerste aanleg had Isabelle's stiefvader wel degelijk veroordeeld, terwijl die in tweede aanleg vrijgesproken werd. Het Zweedse hof van beroep had bij zijn vrijspraak voor aanranding van de eerbaarheid laten verstaan dat de kwestieuze handelingen, in theorie althans, onder de strafbepaling van het verbod op kinderpornografie hadden kunnen vallen. Aldus was Isabelle beschermd door het Strafwetboek. 
Daarnaast stelt het EHRM dat het niet tot zijn taken behoort om in abstracto de nationale regelgeving te evalueren. Het gaat na, in deze concrete zaak, of het gebrek aan een wettelijke bepaling in verband met (de poging tot) het kennelijk filmen van een persoon een wettelijke lacune uitmaakt. Het hof stelt vast dat Zweden actieve stappen ondernomen heeft om dit probleem aan te pakken, met name, dat het een wetsvoorstel heeft ingediend teneinde het illegaal of heimelijk filmen van personen strafbaar te stellen. 

In het licht daarvan en mede gelet op het feit dat de kwestieuze feiten in theorie gedekt werden door de strafbepalingen van de aanranding van de eerbaarheid en kinderpornografie, besluit het EHRM dat er geen wettelijke lacune is in Zweden die zou kunnen beantwoorden aan een schending van de positieve verplichtingen van art. 8 EVRM. Dat is de mening van 4 van de 7 rechters van het EHRM die aldus stelden dat er geen schending was van art. 8. De drie andere rechters drukten een afwijkende mening uit en vonden wel dat er een schending was.

Bron:

  • EHRM 21 juni 2012, E.S./Zweden, Appl. nr. 5786/08; Tijdschrift voor Strafrecht 2012/5, 375.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be