Lacune in jeugdrecht
Rechtspraak 07/05/2012

Arrest Grondwettelijk Hof 3 mei 2012/60, rolnummer 5155

​Feiten: 16-jarige jongen pleegt moord

A wordt voor de jeugdrechtbank van Bergen vervolgd wegens het plegen van een moord. Op het ogenblik van de feiten was hij 16 jaar, sinds begin 2011 was hij meerderjarig. De procureur vindt dat A voor een volwassen strafrechtbank moet verschijnen en vraagt de jeugdrechtbank om een ‘uithandengeving’. Art. 37 §3 van de wet van 8 april 1965 laat de jeugdrechtbank toe om bij vonnis ten gronde beschermende maatregelen te bevelen voor jongeren die meerderjarig zijn en dit in twee gevallen. Een van de mogelijkheden gaat over plus 17jarigen die feiten pleegden, (artikel 37 §3 Jeugdwet). De tweede mogelijkheid is een verlenging van maatregelen die uitgesproken zijn vóór de meerderjarigheid. Dit gaat in deze situatie niet.

Volgens de jeugdrechtbank is deze situatie tegenstrijdig en niet billijk. De rechtbank kan alleen voorlopige maatregelen verlengen zonder ten gronde (over de schuld) uitspraak te doen, of een berisping of een uithandengeving uitspreken, terwijl de voorwaarden voor de uithandengeving misschien niet vervuld zijn. Jeugdbeschermingsmaatregelen zouden immers meer adequaat kunnen zijn (art 37bis Jeugdwet), en hierover kan de jeugdrechtbank niet meer oordelen omwille van de meerderjarigheid.

De jeugdrechtbank van Bergen stelt hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Arrest van het Grondwettelijk Hof

Art. 57bis, §1 Jeugdwet maakt de beslissing tot uithandengeving afhankelijk van het oordeel van de jeugdrechtbank over de ongeschiktheid van een beschermende maatregel. Uit de combinatie van de art. 37, §3, tweede lid, 2° en 57bis, §1Jeugdwet, vloeit voort dat de personen die na de leeftijd van 18 jaar voor de jeugdrechtbank worden gebracht, anders worden behandeld naargelang zij het feit hebben gepleegd op de leeftijd van 16 jaar dan wel op de leeftijd van 17 jaar. Wanneer een pleger 17 jaar was, is een beschermende maatregel tot de leeftijd van 20 jaar mogelijk en een uithandengeving door de jeugdrechtbank kan dan vermeden worden wanneer de rechter oordeelt dat de beschermende maatregelen geschikt zijn. Wanneer een pleger 16 jaar is, kan dit niet, waardoor de jeugdrechtbank zelfs niet kan beoordelen of die maatregelen al dan niet geschikt zouden zijn. Op die manier kan niet op basis van wettelijk voorziene redenen beoordeeld worden of een uithandengeving nodig is als reactie op het feit.

Het Grondwettelijk Hof meent dus dat hier inderdaad sprake is van een discriminatie. Artikel 37 §3, tweede lid, 2° Jeugdwet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De wetgever, die met een dergelijke discriminatie is geconfronteerd, heeft met art. 7, 7°, d,van de wet van 13 juli 2006 al een einde gemaakt aan het verschil in behandeling dat aan de toetsing van het Grondwettelijk Hof is voorgelegd. De inwerkingtreding van die wijziging is echter jammer genoeg uitgesteld tot (minstens) 1 januari 2013.

Auteur: Christine Melkebeek, DCI België en Min Berghmans, Steunpunt Jeugdhulp

Bron:

Arrest Grondwettelijk Hof 3 mei 2012/60, rolnummer 5155, TJK 2012/4, S. HESPEL, "De jeugdrechter en meerderjarigen: lacunes en toekomstperspectieven", p. 330.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be