Kopschopperzaak eindhoven (Nederland) – nadelige media-aandacht voor (minderjarige) verdachte - strafoplegging
Rechtspraak 06/12/2015

Hoge Raad Nederland 13 oktober 2015, nr. S 14/01889/J. Beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch 11 december 2013.

​De feiten

In de nacht van 3 op 4 januari 2013 was de minderjarige X met een groep van acht jongens (15 tot 19 jaar oud) aan het stappen in Eindhoven. Omstreeks half vier liep de groep over de openbare weg. X schopte onderweg een fiets om en sloeg met een kabelslot tegen verschillende fietsen aan. Y, een 22-jarige student sprak de minderjarige daarop aan. Dit schoot de jongens in het verkeerde keelgat en hierop werd Y door X en enkele andere personen uit de groep mishandeld. Y werd met kracht en op korte afstand tegen het hoofd geschopt. Terwijl hij in kennelijk bewusteloze toestand op de grond lag, trapte X hem nogmaals met kracht tegen het hoofd. Y werd door de groep bewusteloos achtergelaten.

Vrijgave beelden toezichtcamera’s

Om achter de identiteit van de daders te komen, werden - nadat andere, minder ingrijpende opsporingsmiddelen tevergeefs waren beproefd - de beelden van het voorval, vastgelegd door ter plaatse aangebrachte toezichtcamera's, door het Openbaar Ministerie vrijgegeven en op 21 januari 2013 uitgezonden in het televisieprogramma "Bureau Brabant" van de regionale zender Omroep Brabant. De dag na de uitzending was de identiteit van de verdachten bij justitie bekend. X meldde zich eerst bij de Belgische politie nadat de camerabeelden door Omroep Brabant waren vertoond. Vervolgens werden na de uitzending door Omroep Brabant de beelden opgepikt door andere, landelijke media. Deze beelden van het voorval leidden tot grote verontwaardiging en tot heftige reacties op de sociale media in de richting van de verdachten, die daarbij met naam en toenaam werden genoemd.

Hoge Raad Nederland

Het Hof stelde dat de vertoning van de beelden op deze vergaande wijze de schending van een fundamenteel recht, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, artikel 8 EVRM met zich meebracht. X heeft als gevolg van deze schending ernstig nadeel geleden. Dat nadeel bestond uit de enorme media-aandacht voor en in de richting van X en zijn directe omgeving en de hetze die daardoor jegens hem in de diverse media, onder meer via sociale media werd ontketend. Dat X zich schuldig maakte aan een ernstig geweldsincident in de openbare ruimte, doet aan het voorgaande niet af. Immers, een zorgvuldige afweging van belangen had hetzelfde resultaat (voor de opsporing) kunnen opleveren, maar dan wel met een minder ingrijpende inbreuk op het privéleven en aldus met minder nadeel voor X. Tegen de achtergrond van voornoemde factoren was het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met de enkele vaststelling van de schending van een fundamenteel recht, maar ook dat die schending consequenties moest hebben.

Met betrekking tot de vraag of de schending van artikel 8 EVRM diende te leiden tot strafvermindering, stelde het Hof het volgende. Strafvermindering komt slechts in aanmerking indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.

Het Hof was van oordeel dat de verdachte door voornoemde schending daadwerkelijk nadeel had geleden. Het nadeel dat is veroorzaakt door het vertonen van de beelden in de meest vergaande vorm bestaat uit de enorme media-aandacht voor en in de richting van de verdachte en zijn directe omgeving en de hetze die daardoor jegens hem in de diverse media, onder welke internet, is ontketend.

Minderjarige verdachten

Het Hof overwoog dat in beginsel strafvermindering in de rede lag maar dat het toepassen daarvan afhankelijk was van de ernst van de schending. Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat het openbaar ministerie er op geen enkele wijze rekening mee had gehouden dat het wel eens zou kunnen gaan om (meerdere) minderjarige verdachten, overwoog het hof volgende. Eerst achteraf, toen de identiteit van de verdachten bekend was, werd vastgesteld dat de groep personen die te zien was op de camerabeelden grotendeels uit minderjarigen bestond. Anders dan de verdediging is het hof namelijk van oordeel dat bij het bekijken van de camerabeelden het voor het openbaar ministerie ook niet duidelijk kon zijn dat het om minderjarigen ging.

Schending persoonlijke levenssfeer van de verdachte door het vrijgeven van camerabeelden – artikel 8 EVRM

Het Hof oordeelde dat de verdachte op een voor hem nadelige wijze werd geconfronteerd met de gevolgen van zijn handelen. Vanwege de beelden werd hij op straat herkend en werd hij op bijzonder vervelende wijze benaderd. De verdachte werd zelfs tot aan zijn ouderlijk huis door de media belaagd. Hij heeft zich zeer bedreigd gevoeld door met name de weinig genuanceerde reacties via de sociale media. Het Hof stelde vast dat hiermee sprake was van een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Door de advocaat-generaal werd nog aangevoerd dat er geen sprake was van een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, aangezien het ging om de vertoning van camerabeelden van gedragingen van de verdachte X in een openbare ruimte, waarbij van belang was dat het een feit van algemene bekendheid is dat in uitgaansgebieden doorgaans wordt gesurveilleerd met cameratoezicht. De ernst van de schending werd hierdoor gerelativeerd, aldus de advocaat-generaal.

Stelling van Openbaar Ministerie wordt niet gevolgd door het Hof

Het Hof volgde de advocaat-generaal niet in zijn stelling. Verdachten hoeven niet mee te werken aan hun opsporing, terwijl X zich bovendien na de uitzending van de beelden onmiddellijk bij de Belgische politie  had gemeld. Hij heeft daarnaast uitdrukkelijk getoond te beseffen wat hij heeft gedaan en het verwerpelijke daarvan ingezien. Door de media is deze zaak opgepikt en er is daaraan – in vergelijking met soortgelijke zaken – buitengewoon grote aandacht besteed. Het is ook niet voor niets, dat de advocaat-generaal in zijn requisitoir heeft opgemerkt, dat “de media aan de haal gingen met de beelden”. Verdachte heeft die aandacht niet gezocht, maar wel de nadelige gevolgen ondervonden.

Onzorgvuldigheid van het Openbaar Ministerie – strafvermindering voor verdachte

Het Hof was van oordeel dat het handelen van het openbaar ministerie dermate onzorgvuldig is geweest, dat hierdoor strafvermindering gerechtvaardigd is. Het Hof oordeelde dat vanwege voornoemde schending en de nadelige gevolgen die de verdachte daardoor heeft ondervonden strafvermindering op zijn plaats is, te weten: een strafvermindering van 2 maanden jeugddetentie. Het Hof zal om die reden in plaats van 12 maanden jeugddetentie 10 maanden jeugddetentie opleggen. Daarvan zijn 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Opsporingsberichtgeving en sociale media

Bij de zware mishandeling in Eindhoven op 4 januari 2013 waren minderjarige jongens betrokken die, onder invloed van alcohol, kennelijk niet beseften wat zij deden. Het was deels toeval dat het incident plaatsvond op een hoek van een straat die binnen het bereik van een bewakingscamera lag. Er werden daardoor beelden met het verloop van het incident vastgelegd. De zaak van de “kopschoppers” van Eindhoven toont aan hoeveel moeite het Openbaar Ministerie en de politie hebben om de krachten van sociale media in te schatten en, waar nodig, in bedwang te houden.

De opsporingsberichtgeving had in deze casus desondanks een positief effect in de zin dat de verdachten werden aangehouden en konden worden berecht. Zowel van de daders als van het slachtoffer werden persoonsgerelateerde gegevens verspreid via internet en sociale media. Het zal lastig zijn deze (digitale) sporen te wissen.

Burgerparticipatie bij de opsporing van strafbare feiten krijgt onder invloed van sociale media een nieuwe dimensie; de grens met burgeropsporing vervaagt en burgervervolging ligt op de loer.

Bronnen:

  • Hoge Raad Nederland 13 oktober 2015, nr. S 14/01889/J. Beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch 11 december 2013.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be