Jeugdrechtbank – Vertrouwenscentrum kindermishandeling
Rechtspraak 27/04/2017

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie en jeugdrechtbank (beschikking) 9 september 2016, dossier nr. 113.M.2016/19.

​Gezien de vordering van het Openbaar Ministerie d.d. 15 juli 2016 strekkende ertoe door de jeugdrechtbank, de navorsingen bepaald bij artikel 50 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, en, in voorkomend geval, de nodige afdwingbare pedagogische maatregelen te bevelen overeenkomstig artikel 48 §1 van het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013.

De procureur des Konings heeft het vertrouwenscentrum kindermishandeling (VK) in haar hoedanigheid van gemandateerde voorziening gevat. Indien wordt vastgesteld dat er niet meegewerkt wordt aan het onderzoek maatschappelijke noodzaak of wanneer er maatschappelijke noodzaak is vastgesteld en gepaste jeugdhulpverlening niet vrijwillig wordt aanvaard, zal de gemandateerde voorziening, de zaak doorverwijzen naar het parket.
De ouders beschikken hier niet over een beroepsmogelijkheid. De jeugdrechter is evenmin bevoegd om dit doorverwijzingsverslag te beoordelen.

In deze zaak heeft de gemandateerde voorziening (VK) de zaak doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie en heeft het OM beslist om de jeugdrechter te vatten. Dit impliceert dat de aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 47, 1° DIJ, is voldaan.

Gelet op de bezorgdheden die geformuleerd werden in dit verslag heeft de jeugdrechter beslist om aan de sociale dienst overeenkomstig artikel 50 Jeugdwet de opdracht te geven de nodige navorsingen te verrichten en meer zicht te krijgen op de situatie in het bijzonder ook de visie van de moeder hierin te kennen. 
Het was aangewezen om het kind in afwachting van het maatschappelijk onderzoek dat zich nog in de beginfase bevond, onder toezicht te stellen van de sociale dienst. Het kind werd voorlopig toevertrouwd aan het vaderlijk milieu en hij kan er ook (voorlopig) zijn domicilie verkrijgen.

Het kind kan verder school lopen in Z. De vader werd er ook op gewezen dat in het kader van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, de schoolkeuze met de moeder moet overlegd worden en bij gebreke aan akkoord zich tot de rechter dient te richten.

Belang van het kind

Het is in het belang van het kind dat er gewerkt wordt aan een contactherstel met de moeder. Het is belangrijk dat de vader het kind zal stimuleren om verder naar de moeder te gaan. Daarnaast is het ook aangewezen om de beleving van het kind te kennen. Er zal hiertoe een belevingsonderzoek worden bevolen.

De maatregelen kunnen ten allen tijde worden ingetrokken of op verzoek van de minderjarige, zijn wettelijke vertegenwoordiger, die in het artikel 51, lid 1, van het Decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013 bedoelde sociale dienst of het OM, worden vervangen door een andere maatregel.

De minderjarige werd, zes maanden na de datum van de vordering – onder toezicht gesteld van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulpverlening en werd voorlopig gedomicilieerd bij de vader. Er werd een voorlopig secundaire verblijfsregeling bij de moeder bevolen. De kinderbijslag dient voorlopig bij de vader toe te komen. De kosten van het kind werden tussen de ouders bij helften verdeeld. Voorlopige uitvoering van huidige beschikking.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter a.i. Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie en jeugdrechtbank (beschikking) 9 september 2016, dossier nr. 113.M.2016/19.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be