Biologische vader krijgt meer mogelijkheden
Rechtspraak 06/09/2013

Arrest Grondwettelijk Hof nr. 105/2013, 9 juli 2013

​Een biologische vader kan vandaag niet naar de rechter stappen om het vaderschap op te eisen, als zijn kind een andere wettelijke vader heeft via de huwelijksband met de moeder én is opgevoed door deze wettelijke vader. Het Grondwettelijk Hof noemt dat in een arrest van 9 juli 2013 een flagrante schending van de Grondwet als antwoord op een prejudiciële vraag van het Hof van Beroep te Brussel.

In een tweede arrest op vraag van het Hof van Beroep van Gent, trekt het Hof dezelfde conclusie in een situatie waarbij de wettelijke vader vaststaand via erkenning en de kinderen opgevoed hebbende, niet dezelfde is als de biologische vader van de kinderen.

De huidige regelgeving is nog steeds geldend zodat vaststelling van de biologische vaderschapsband juridisch nog niet mogelijk is als het kind al een wettelijke vader heeft en deze bezit van staat heeft. Bijsturing van de huidige regelgeving blijkt op basis van deze tendens in de rechtspraak wel wenselijk.

DE FEITEN

Tijdens het huwelijk van E.C. en B.G. worden drie kinderen geboren. Uit een vrijwillig afgenomen DNA-test blijkt dat L.P. met wie E.C. tijdens haar huwelijk een relatie heeft, de genetische vader zou zijn van het laatst geboren kind. Na de ontbinding van haar huwelijk met B.G. zet E.C. haar relatie met L.P. voort. Op 19 oktober 2010 wordt het vierde kind van E.C. geboren, waarvan L.P. de wettelijke vader is. Bij dagvaarding van 10 december 2009 vordert L.P. te zeggen voor recht dat B.G. niet de vader is van E.C. De rechtbank van eerste aanleg te Brussel beslist op 25 januari 2011, alvorens uitspraak ten gronde uitspraak te doen, een deskundige aan te stellen met het oog op het uitvoeren van een nieuwe DNA test.

Tegen die beslissing tekent B.G. hoger beroep aan bij het Hof van Beroep te Brussel. Hij voert onder meer aan dat de vordering van L.P. onontvankelijk is, op grond van art. 318, §1 Burgerlijk Wetboek (BW) omdat het desbetreffende kind bezit van staat heeft ten aanzien van hem. Indien geoordeeld wordt dat het kind “Bezit van staat “ heeft ten aanzien van de wettelijke vader, dan kan het vaderschap over het kind niet worden betwist. Er is “bezit van staat” als iemand zich steeds als vader van een kind heeft gedragen en als de buitenwereld hem steeds als ouder van het kind heeft beschouwd. Het Hof van Beroep is van oordeel dat bij de beoordeling van het bezit van staat enkel rekening kan worden gehouden met elementen die dateren van vóór het inleiden van de vordering tot betwisting van het vaderschap en dat dit onder meer met zich meebrengt dat geen rekening kan worden gehouden met de kortgedingbeschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van 30 juli 2010 waarmee m.b.t. verblijfsregeling van de drie tijdens het huwelijk van E.C. en B.G. gekozen kinderen een deskundigenonderzoek werd bevolen. Het Hof van Beroep stelt vervolgens vast dat het kind inderdaad bezit van staat heeft ten aanzien van B.G., maar stelt zich de vraag, met verwijzing naar de arresten nr. 20/2011 en 122/2011 van het Hof, of art. 318, §1 van het BW bestaanbaar is met art. 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met art. 8 EVRM met name recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Het Hof van beroep stelt hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

BESLISSING GRONDWETTELIJK HOF

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoordt. Art. 318, § 1 van het BW schendt art. 22 van de Gw. in samenhang gelezen met art. 8 van het EVRM, in zoverre de vordering tot betwisting van het vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder, ook indien deze vordering ingesteld wordt door "de persoon die het vaderschap van het kind opeist, m.a.w. door de genetische vader van het kind. 

TWEEDE ARREST VAN DEZELFDE DATUM MET DEZELFDE CONCLUSIE

Tussen 1994 en 1998 krijgt mevrouw K. drie kinderen met haar vriend W. De man erkent de kinderen, aan de feitelijke relatie komt in 1999 een einde. Later komt J. op de proppen en beweert de biologische vader van het jongste kind te zijn. J. zwaait met een DNA-onderzoek uit 2008, wil het vaderschap opnemen en betwist de erkenning van het kind door W. Hij stapt naar de rechter. De rechtbank van eerste aanleg te Gent verklaart zijn vordering onontvankelijk. Ze wordt niet eens in aanmerking genomen voor behandeling. De rechter baseert zich daarvoor op de passage over "bezit van staat" in de wet. Die zegt dat als iemand zich steeds als vader van een kind heeft gedragen en als de buitenwereld hem steeds als ouder van het kind heeft beschouwd - zoals in dit geval met W. - het vaderschap over het kind niet kan worden betwist. Dat sluit de biologische ouder - in dit geval J. - bij voorbaat dus uit van elke juridische procedure.

Het Hof van Beroep te Gent, stelt vast dat de vordering ingaat tegen het bij art. 330, §1 van het BW vereiste bezit van staat van W. en dat dit zou leiden tot de onontvankelijkheid van de vordering, ook in graad van hoger beroep. Aangezien het Grondwettelijk Hof nog geen uitspraak heeft gedaan m.b.t. de exceptie waarin art. 330, § 1 van het BW voorziet nl. dat ook een erkenning van vaderschap niet betwist kan worden indien er bezit van staat is ten opzichte van de vader die het kind erkend heeft, is het Hof van Beroep ingegaan op het verzoek van W. om daarover een prejudiciële vraag te stellen. Het Hof van Beroep te Gent stelde bovendien een tweede prejudiciële vraag, om van het Grondwettelijk Hof te vernemen of een eventueel verschil in benadering ten aanzien van de excepties waarin de art. 318, §1 respectievelijk art. 330, §1 van het BW voorzien, al naargelang het gaat om een betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot, dan wel een betwisting van de erkenning door de man die een feitelijk gezin vormde met de moeder van het kind, bestaanbaar zou zijn met de art. 10 en 11 van de grondwet met andere woorden of dit geen discriminatie inhoudt.

AFFECTIEVE BAND EN BESLISSING VAN HET GRONDWETTELIJK HOF

Door het "bezit van staat" als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de man die het vaderschap opeist, op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om de erkenning van het vaderschap door een andere man, ten aanzien van wie het kind bezit van staat heeft, te betwisten.

Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever, nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet bestaanbaar met art. 22 van de grondwet in samenhang gelezen met art. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens – het recht op eerbiediging van privé – en gezinsleven. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Ook het Grondwettelijk Hof vindt het legitiem de biologische band tussen vader en kind niet automatisch belangrijker te achten dan de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap. Maar, zegt het Hof, door het "bezit van staat" als heilig te beschouwen en elke vordering tot betwisting van het vaderschap bij voorbaat te verwerpen, wordt de man die het vaderschap "op absolute wijze" uitgesloten van de mogelijkheid het vaderschap voor een rechter te claimen. Daardoor kan een rechter ook geen rekening houden met de concrete belangen van alle partijen.

KUNNEN ALLE BIOLOGISCHE VADERS NU HUN RECHT VOOR EEN RECHTBANK LATEN GELDEN?

Neen, de arresten van het Grondwettelijk gaan over specifieke zaken. Volgens Prof. Swennen: "zit er stilaan een lijn in de arresten. Het is duidelijk dat de passage in de wet moet worden aangepast".

Auteur: Christine Melkebeek

Bronnen:

  • Arrest Grondwettelijk Hof nr. 105/2013, 9 juli 2013, www.grondwettelijkhof.be
  • Arrest Grondwettelijk Hof  nr. 96/2013, 9 juli 2013, www.grondwettelijkhof.be
  • Y. DELEPELEIRE, "Verwekker kan makkelijker vaderschap opeisen", De Standaard 15 juli 2013, 8.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be