Internationale kinderontvoering – schending artikel 8 EVRM
Rechtspraak 02/05/2016

Europees Hof voor de Rechten van de Mens K.J. t. Polen 1 maart 2016, applicatienr. 30813/14

​Feiten

K.J. heeft de  Poolse nationaliteit is geboren in Kent, gehuwd met een Poolse en woonachtig in het Verenigd Koninkrijk (VK). Samen hebben ze een dochtertje, geboren in 2010. In 2012 gaat het kind met haar moeder naar Polen op vakantie met toestemming van de vader. Op het einde van de zomervakantie liet de vrouw weten dat ze niet meer terugkwam met het kind naar het VK. Een scheidingsprocedure is hangende.

K.J. stelde onmiddellijk een verzoek in onder het Haags Kinderontvoeringsverdrag om de terugkeer van zijn dochter te bekomen. Tijdens de procedures voor de Poolse rechtbanken weigerde de moeder de terugkeer van het kind naar het VK. Zij gaf daarbij twee redenen op: de scheiding en de angst dat haar kind geen toelating meer zou krijgen om het VK te verlaten.

De procedures duurden 12 maanden tot oktober 2013, tot op het ogenblik dat K.J. zijn verzoek werd verworpen op grond van het feit dat de terugkeer van het kind naar het VK met of zonder zijn moeder, het kind in een onhoudbare situatie zou brengen overeenkomstig artikel 13 (b) van het Haags Kinderontvoeringsverdrag: “Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden”.

De Poolse rechtbanken erkenden dat het weghouden van het kind van haar verblijfplaats in het VK onwettig was overeenkomstig artikel 3 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag doch hielden rekening met de jonge leeftijd van het kind, (3 jaar), het feit dat de moeder steeds voor het kind gezorgd had en het feit dat de contacten met de vader – sinds de ontvoering – zeldzaam waren. De scheiding van het kind met zijn moeder zou negatieve gevolgen hebben. De rechtbanken waren van oordeel dat indien het kind terug naar het VK zou gaan dit eveneens negatieve gevolgen zou hebben omdat de moeder zich nooit aangepast had aan het leven in het VK en enkel Polen zou willen verlaten tegen haar wil. Er werd ook verwezen naar het verslag van de aangestelde psycholoog die concludeerde dat het in het belang van het kind was dat ze in Polen zou blijven.

In november 2014 kreeg K.J. de toelating om zijn dochter in Polen, twee weekends per maand en gedurende bepaalde periodes in de vakantie, te zien. K.J. wendde zich tot het EHRM zich baserend op artikel 8 EVRM waarbij hij aanklaagde dat de Poolse rechtbanken geweigerd hadden de terugkeer van zijn dochter te bevelen, op basis van het Haags Kinderontvoeringsverdrag.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens – Schending artikel 8 EVRM

Het Hof was van oordeel dat de Poolse rechtbanken verkeerdelijk van oordeel waren dat de terugkeer van de moeder met het kind naar het VK geen positieve invloed zou hebben op de ontwikkeling van het kind. De rechtbanken hadden deels de conclusies van de psycholoog genegeerd, namelijk dat het kind zich vlug aanpaste, in goede psychische en fysische conditie was, beide ouders graag zag en geen onderscheid maakte tussen Polen en het VK.

Het Hof vond dat de interne procedures, ondanks het dringend karakter van de procedure onder het Haags Kinderontvoeringsverdrag, te lang geduurd hadden. De procedure duurde een jaar, datum te rekenen vanaf het ogenblik dat K.J. een verzoek tot terugkeer van zijn dochter had ingesteld en de datum van de definitieve beslissing. Er werd geen uitleg gegeven over de reden van de vertraging. Het Hof besloot dat de Poolse autoriteiten niet voldeden aan de positieve verplichtingen die artikel 8 EVRM oplegt waardoor dit artikel geschonden werd.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  •  Europees Hof voor de Rechten van de Mens K.J. t. Polen 1 maart 2016, applicatienr. 30813/14


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be