HvC - afstand van geding – ontkenning van vaderschap
Rechtspraak 10/11/2016

HvC 23 juni 2016, nr. C.13.0573.N

​De feiten

X is op 31 oktober 2006 bevallen van een zoontje. Y heeft een vordering tot ontkenning van vaderschap ingesteld bij dagvaarding van 16 november 2007. De eerste rechter heeft bij vonnis van 29 september 2008 de vordering van Y inzake ontkenning van vaderschap over het kind ontoelaatbaar verklaard wegens het laattijdig instellen ervan. 

Y heeft op 25 mei 2009 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 april 2008. Zijn raadsman heeft bij brief van 10 december 2009 het hof van beroep gemeld dat Y in deze zaak "afstand van geding" conform artikel 820 Ger. W. deed. De raadsman van X meldde op 14 december 2009 voor zoveel als nodig akkoord te gaan met de afstand van geding door Y. Nadien stelde Y dat hij geen afstand had gedaan van zijn hoger beroep.

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 september 2011. Het bestreden arrest decreteert de afstand van geding die Y bij brief van zijn raadsman op 10 december 2009 had geformuleerd. Hierin stond dat Y afstand van geding deed overeenkomstig artikel 820 Ger. W.
Bij een dergelijke afstand ziet de partij af van de rechtspleging die zij is begonnen met hoofdvordering of met een tussenvordering zonder evenwel het recht waarop de vordering steunt prijs te geven.

Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie stelde dat het arrest dat oordeelt dat de door Y gedane afstand van geding geldig is en deze afstand decreteert, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt. Het Hof van Cassatie vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

In deze zaak staat vast dat het eerste vonnis van 29 april 2008 de vordering, in ontkenning van vaderschap die Y had ingesteld, onontvankelijk heeft verklaard wegens laattijdigheid, en dat Y op ontvankelijke wijze tegen dat vonnis hoger beroep instelde.

Echter was niet betwist dat het eerste vonnis op 24 april 2009 aan eiser Y tot cassatie werd betekend, wat betekent dat geen ontvankelijk nieuw beroep meer kon worden ingesteld na de brief van 10 december 2009 waarin Y verklaarde afstand te doen van het geding in hoger beroep.

Hieruit volgt dat de door de Y gedane afstand van geding in hoger beroep hetzelfde gevolg had als een verzaking aan het recht op ontkenning van vaderschap. Gelet op de artikelen 331 quater BW en artikel 823, tweede lid Ger. W. die niet toelaten dat aan het recht op ontkenning van vaderschap wordt verzaakt en gelet op artikel 2 Ger. W. op grond waarvan artikel 823, eerste lid Ger. W. niet toepasselijk is wanneer de afstand van geding gevolgen heeft van een afstand van recht waaraan niet kan worden verzaakt, kon het bestreden arrest niet op wettige wijze de afstand van geding decreteren.

Het arrest dat oordeelt dat de door de eiser gedane afstand van geding geldig is en deze afstand decreteert, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Het HvC vernietigde het bestreden arrest.  De zaak werd naar het hof van beroep te Brussel verwezen. 

Afstand van geding in hoger beroep

Afstand van geding in hoger beroep impliceert niet noodzakelijk dat de partij het vast voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing. Wanneer echter op het ogenblik waarop afstand van hoger beroep wordt gedaan het hoger beroep niet meer kan worden ingesteld omdat de termijn daarvoor is verstreken, komt dit neer op een berusting van het beroepen vonnis. Op grond van artikel 331 quater BW dat bepaalt dat van het vorderingsrecht betreffende de afstamming niet kan worden afgezien, kan niet worden verzaakt aan een vordering tot betwisting van vaderschap zoals bedoeld in artikel 318 BW.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • HvC 23 juni 2016, nr. C.13.0573.N


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be