HVB Gent – KI – verwijzing van misdaden naar de jeugdrechtbank
Rechtspraaak 10/11/2016

Hof van beroep Gent, KI, 29 september 2016, nr. 2015/12/154. Tegen dit arrest werd cassatieberoep aangetekend.

​Gent – KI – artikel 49 Wet op de jeugdbescherming – verwijzing van misdaden naar de jeugdrechtbank


De feiten

A is geboren in 2000, ze werd in verdenking gesteld om een misdaad of wanbedrijf uitgevoerd te hebben, een zaak die haar niet toebehoorde, bedrieglijk weggenomen te hebben door middel van geweld of bedreiging, met de omstandigheid dat het misdrijf gepleegd werd onder twee van de in het artikel 471 Sw. vermelde omstandigheden, met name dat het misdrijf gepleegd werd bij nacht en door twee of personen, waarbij ongeveer 700 € cash geld, 800 € sigaretten, 500 € aan telefoonkaarten werden ontvreemd ten nadele van Z, op 1 april 2014.

Vordering procureur-generaal

De onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent verwees op 2 november 2015 de inverdenkinggestelde A wegens hoger vermelde tenlastelegging naar de jeugdrechtbank.

A tekende op 6 november 2015 hoger beroep aan tegen voormelde beschikking. Krachtens artikel 135 Wb. Sv. kan de inverdenkinggestelde buiten het geval van artikel 539 Sv. slechts in geval van onregelmatigheden, verzuim of nietigheden als bedoeld in artikel 131, §1 Sv. of m.b.t. de verwijzingsbeschikking van verval van strafvordering hoger beroep instellen tegen de beschikking van de raadkamer waarbij zij naar het vonnisgerecht wordt verwezen.
De inverdenkinggestelde A heeft een dergelijk middel bij schriftelijke conclusie ingeroepen voor de onderzoeksrechter. In het bijzonder werd er een schending van artikel 9 en 49 van de Wet Jeugdbescherming (WJB) voorgehouden.

Het hoger beroep is ontvankelijk. Het hoger beroep is echter ongegrond.
Uit de stukken van het dossier bleek dat de onderzoeksrechter op 14 november 2014 gevat werd met een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek onder meer op basis van artikel 49 WJB waarbij gewezen werd op de uitzonderingsomstandigheden en de volstrekte noodzaak voor dit gerechtelijk onderzoek lastens minderjarigen.

Het onderzoek betrof bovendien een complexe zaak waarbij onder meer oorspronkelijk gevorderd werd voor het misdrijf criminele organisatie en waarbij meerderjarigen en minderjarigen betrokken waren en er maatregelen noodzakelijk waren waarvoor alleen een onderzoeksrechter bevoegd was (bv. huiszoekingen).
Artikel 9 en 49 WJB werden dan ook niet geschonden.
Om deze redenen vorderde de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling het hoger beroep van X zou ongegrond verklaren.

Hof van Beroep Gent – Kamer van Inbeschuldigingstelling

Zoals de inverdenkinggestelde X de in het artikel 135 § 2 Sv. vermelde omstandigheden een beperkt recht had om tegen de beschikking van de raadkamer waarbij zij naar de bodemrechter werd verwezen, hoger beroep aan te tekenen, komt dit recht naar analogie ook toe aan de minderjarige die door de onderzoeksrechter werd verwezen naar de jeugdrechter.

De betrokken minderjarige wierp voor de raadkamer bij middel van schriftelijke conclusie op dat er een schending was van artikel 49 WJB en dat de onderzoeksrechter niet op regelmatige wijze was gevat om onderzoeksdaden te stellen ten aanzien van haar. Naar het oordeel van A was de strafvordering dan ook onontvankelijk.

Voormelde middelen betroffen een exceptie van onbevoegdheid en middelen die betrekking hadden op nietigheden, verzuimen of onregelmatigheden bedoeld in artikel 131 Sv. en lieten derhalve een hoger beroep van de minderjarige inverdenkinggestelde toe.

Waar A in haar besluiten argumenteerde dat er onvoldoende bezwaren aanwezig waren om een verwijzing te kunnen rechtvaardigen en zich derhalve de buitenvervolging opdrong was het hof, kamer van inbeschuldigingstelling (KI), van oordeel dat dergelijk hoger beroep onontvankelijk is nu artikel 135 § 2 Sv. niet in dergelijke beroepsmogelijkheid voorziet voor de inverdenkinggestelde (Cass. 11 maart 2008, P.O7.1717.N).

Inverdenkinggestelde minderjarige beweert dat de onderzoeksrechter onregelmatig gevat was

Het kwam aan de bodemrechter, in deze de jeugdrechter, toe om gebeurlijk te oordelen omtrent het aangevoerde bewijsmateriaal en desgevallend omtrent de te nemen maatregelen.

De argumenten van A kwamen er in hoofdzaak op neer dat zij van oordeel was dat de onderzoeksrechter onregelmatig gevat was omdat op de vordering tot aanvullend onderzoek van 15 april 2014 geen melding werd gemaakt van artikel 49 WJB.

Het Hof, KI, stelde dat A niet betwistte dat de onderzoeksrechter, die het gerechtelijk onderzoek voerde, de hoedanigheid had van magistraat gespecialiseerd in dossiers van jeugdbescherming daartoe aangewezen door de voorzitter van de rechtbank overeenkomstig artikel 9 WJB.

Verder stelde het hof vast dat de vordering van 15 april 2014 een aanvullende vordering betrof tegen “onbekenden”, in een onderzoek waarin voormelde onderzoeksrechter reeds eerder werd gelast en wel bij de eerste vordering van 7 februari 2014 tegen onbekenden en op 9 april 2014 tegen mede inverdenkinggestelde Y waarbij in de vordering wel degelijk melding werd gemaakt van artikel 49 WJB.
A heeft het dus verkeerd voor waar zij in haar conclusies stelde dat in de aanvullende vordering van 14 november 2014 voor het eerst melding werd gemaakt van artikel 49 WJB.

Het voegen van dossiers bij een reeds gevat gerechtelijk onderzoek breidt de integrale saisine van de onderzoeksrechter uit tot deze gevoegde dossiers met inbegrip van de haar toegekende bevoegdheid in toepassing van artikel 49 WJB om onderzoek te voeren ten aanzien van eventuele betrokken minderjarigen. In deze zaak had de onderzoeksrechter deze bevoegdheid reeds bekomen bij aanvullende vordering van 9 april 2014 ten aanzien van Y maar bij uitbreiding ook ten aanzien van nog onbekenden waartoe zij reeds gevat was bij de aanvankelijke vordering van 7 april 2014.

Evenzo voegde X ten onrechte een modaliteit toe aan artikel 49 WJB door te argumenteren dat de toepassing ervan in de vordering van het OM zou moeten gemotiveerd zijn.

Dergelijke motivering is niet begrepen onder artikel 49 WJB en het volstaat dat de Procureur des Konings die meent dat een gerechtelijk onderzoek dient gevoerd te worden tegen (een) minderjarige(n) de onderzoeksrechter erop wijst dat in het concrete geval uitzonderlijk omstandigheden voorliggen alsook de volstrekte noodzaak aanwezig is om de onderzoeksrechter te vatten voor een gerechtelijk onderzoek – ook lastens eventueel (een) minderjarige (n) – zoals die blijken uit de stukken die met de vordering aan de onderzoeksrechter werden overgemaakt.

In deze zaak werd binnen het complexe onderzoek naar jongerenbendes aan alle vereisten zoals deze die voorvloeien uit de Wet op de Jeugdbescherming voldaan. De onderzoeksrechter werd op een conforme wijze gevat en handelde overeenkomstig de wettelijke bepalingen, ook wat betreft deze vervat in de Wet op de Jeugdbescherming.

Hoger beroep ongegrond

Het hof, KI, ontwaarde geen elementen die ertoe zouden noodzaken de strafvordering in hoofde van de inverdenkinggestelde onontvankelijk te verklaren. Evenmin dienden er geen bewijsmiddelen of stukken nietigverklaard te worden.

Het hof van beroep, KI, verklaarde het hoger beroep in het zoverre het betrekking had op de aanwezigheid van voldoende bezwaren, onontvankelijk. En wees het hoger beroep af als ongegrond.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Hof van beroep Gent, KI, 29 september 2016, nr. 2015/12/154. Tegen dit arrest werd cassatieberoep aangetekend.
  • Zie ook : J. DECOKER, F. VROMAN, “Het gerechtelijk onderzoek met minderjarige verdachten: het mijnenveld ontruimd”, T. Strafr. 2013/2, 62-103


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be