Hof van Justitie – aanvraag bijstandsuitkering en kinderbijslag
Rechtspraak 21/06/2017

Hof van Justitie 10 mei 2017, zaak C-133/15

​De feiten

H. C. Chavez-Vilchez heeft de Venezolaanse nationaliteit en is in de loop van het jaar 2008 met een toeristenvisum in Nederland aangekomen. Op 30 maart 2009 is uit haar relatie met een Nederlander een kind geboren dat de Nederlandse nationaliteit heeft. De ouders en het kind hebben in Duitsland gewoond tot in juni 2011, in deze maand diende Chavez-Vilchez en haar kind de gezinswoning te verlaten. Chavez-Vilchez en haar kind hebben zich toen gemeld bij de crisisopvang van de gemeente Arnhem (Nederland), waar zij enige tijd verbleven. Chavez-Vilchez heeft sindsdien het gezag over haar kind en heeft verklaard dat de vader niet bijdraagt in het onderhoud en de opvoeding van het kind.

In deze zaak gaat het om het verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Dit artikel stelt: “Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan”).

Dit verzoek werd ingediend in het kader van de gedingen tussen H. C. Chavez-Vilchez en zeven andere onderdanen van derde landen, moeders van één of van meer minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit voor wie zij de dagelijkse zorg hebben, en de bevoegde Nederlandse autoriteiten, over de afwijzing van de aanvragen voor een bijstandsuitkering en kinderbijslag op grond dat zij in Nederland geen verblijfsrecht hadden.

In elk van de hoofdgedingen werden de aanvragen van de belanghebbenden voor bijstand en kinderbijslag door de bevoegde organen afgewezen op grond dat de belanghebbenden geen verblijfstitel hadden en daardoor op grond van de Nederlandse wetgeving geen recht hadden op dergelijke uitkeringen.

Geen verblijfsvergunning Nederland

Tussen 2010 en het jaar 2013, waren geen van de verzoeksters in het bezit van een verblijfsvergunning in Nederland.

De beroepen van verzoeksters in de hoofdgedingen tegen de beslissingen waarbij hun aanvragen om bijstand en kinderbijslag werden afgewezen, werden bij beslissingen van de nationale rechterlijke instanties in eerste aanleg verworpen. Er werd tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (Nederland).

Centrale Raad van Beroep

De Centrale Raad van beroep vroeg zich af of verzoeksters in de hoofdgedingen, die allen de nationaliteit van een derde land hebben, als moeder van een kind dat burger van de Unie is onder de voor elk van hen beschreven omstandigheden een verblijfsrecht aan artikel 20 VWEU zouden kunnen ontlenen.

In dat geval zouden de belanghebbenden de bepalingen van de Wet werk en bijstand en de Algemene Kinderbijslagwet kunnen inroepen op grond waarvan vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven, kunnen worden gelijkgesteld met Nederlandse onderdanen en in voorkomend geval in aanmerking komen voor bijstand of kinderbijslag krachtens die wetten, zonder dat daartoe een besluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat hun een verblijfsrecht toekent of een document dat de rechtmatigheid van het verblijf aantoont, vereist is.

Volgens de Centrale Raad van beroep volgde uit de arresten van 8 maart 2011, Ruiz Zambrano (C-34/09, EU:C:2011:124), en 15 november 2011, Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734), dat verzoeksters in de hoofdgedingen aan artikel 20 VWEU een van het verblijfsrecht van hun kinderen, burgers van de Unie, afgeleid verblijfsrecht in Nederland zouden ontlenen, voor zover deze zich in een situatie als beschreven in die arresten bevinden. Voor elk van de hoofdgedingen zou moeten worden bepaald of de omstandigheden zodanig zijn dat die kinderen feitelijk worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten indien hun moeder geen verblijfsrecht toekomt.

De Centrale Raad van beroep merkte op dat de betrokken colleges van burgemeester en wethouders, de Sociale Verzekeringsbank en de Immigratie en Naturalisatie Dienst het in elk van de hoofdgedingen niet van belang hadden geacht dat de moeder, onderdaan van een derde land, en niet de vader, burger van de Unie, de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind had, hoe het contact was tussen kind en vader, hoe de vader bijdroeg in onderhoud en opvoeding en of de vader bereid was de zorg voor het kind op zich te nemen. De Centrale Raad van beroep vroeg zich af of de rechtspraak van het Hof zo restrictief moet worden uitgelegd.

Hof van Justitie

De situaties in de hoofdgedingen vertoonden verschillen wat betreft de betrekkingen tussen de ouders en de kinderen op het gebied van het ouderlijk gezag en de bijdrage in het onderhoud, de situatie van de moeders betreffende hun recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven alsook de situatie van de minderjarige kinderen zelf.

Het kind van Chavez-Vilchez heeft zijn recht van vrij verkeer uitgeoefend voordat zijn moeder in Nederland uitkeringen aanvroeg voor tijdvakken tussen 7 juli 2011 en eind maart 2012, aangezien het kind tot juni 2011 met zijn ouders in Duitsland, de lidstaat waar zijn vader woont en werkt, verbleef alvorens, met zijn moeder, terug te keren naar Nederland, de lidstaat waarvan het kind de nationaliteit heeft.

De Centrale raad van beroep wou vernemen of artikel 20 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een onderdaan van een derde land, ouder van een minderjarig kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbindt dat die onderdaan aantoont dat de andere ouder, onderdaan van bedoelde lidstaat, niet dagelijks daadwerkelijk voor het kind kan zorgen.

Artikel 20 VWEU – Belang van het kind

Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een onderdaan van een derde land, ouder van een minderjarig kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbindt dat die onderdaan de gegevens verschaft die aantonen dat het kind bij een weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder die onderdaan van een derde land is, het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Het is echter aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen teneinde, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben.

Het Hof van Justitie maakte in deze zaak duidelijk dat de rechten van de kinderen de doorslag geven en dat hun belang voorop dient te staan. Er moet onderzocht worden of er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen de ouder en het kind en dat het kind eigenlijk gedwongen zou zijn om met de buitenlandse ouder mee te reizen naar een land buiten de EU. Tot op heden vond de Nederlandse overheid dat het gezag overgedragen moest worden aan de Nederlandse ouder. Ook al kon en wilde deze ouder niet voor het kind zorgen.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter a.i. Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Hof van Justitie 10 mei 2017, zaak C-133/15
  • DCI Nederland persbericht 10 mei 2017,“Uitspraak: gezinsmigratiebeleid moet op de schop”.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be