Het Monnikenarrest
Rechtspraak 23/10/2013

Hof van Beroep Gent, Jeugdkamer 7 oktober 2013 nr. 2013/JZ/98.

​Dit “voorlopig” arrest handelt over de 15-jarige G. die naar India wil vertrekken om er een opleiding tot boeddhistisch monnik te volgen. De jeugdrechter besliste in eerste instantie dat er geen reden was om tussen te komen omdat naar haar mening het belang van de minderjarige niet in gedrang was. De zaak werd voor het Hof van beroep gebracht waarbij beslist werd dat ondanks dat de jongere de beslissing weloverwogen en samen met moeder nam, het hof toch niet overtuigd was dat het belang van de minderjarige niet in het gedrang was. Het hof besliste dan ook tot een voorlopig verbod om naar India te vertrekken voor scholing tot boedhistisch monnik, een algemeen uitreisverbod uit België en legde een ambulante begeleiding door een OOOC op. 

Deze zaak deed zich voor in de regio Oost-Vlaanderen waar sinds 16 september het vernieuwd jeugdhulplandschap van toepassing is waardoor de rechter in de mogelijkheid was om in een hoogdringende situatie ook ambulante maatregelen op te leggen.

BESCHIKKING VAN DE JEUGDRECHTER TE GENT D.D. 12 SEPTEMBER 2013

Het Openbaar Ministerie slaagt er niet in op afdoende wijze aan te tonen dat de minderjarige zich in een problematische opvoedingssituatie bevindt.
Er is geen enkel element dat er op wijst dat de jongere, bij het doorzetten van zijn voornemen, in een onveilige situatie zou belanden. 
Het gegeven op zich dat een 15-jarige naar het buitenland vertrekt mag dan zeldzaam en ongewoon zijn, betekent niet automatisch dat dit in strijd is met zijn belang. Er is bovendien geen enkel bewijs dat deze beslissing niet op elk moment kan worden herbekeken, zowel door de moeder als door de minderjarige zelf. Een gedwongen tussenkomst van de jeugdrechtbank is hier niet op zijn plaats.

Tegen deze beschikking werd op 13 september 2013 hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie.

DE KABINETSBESCHIKKING IN HOGER BEROEP VAN 13 SEPTEMBER 2013

Ingevolge de devolutieve kracht van hoger beroep, dat op 13 september 2013 door het openbaar ministerie werd aangetekend, nam de jeugdrechter in hoger beroep, eveneens op 13 september 2013, een kabinetsbeschikking, dit in afwachting van de behandeling van de zaak ten gronde voor het hof. Onder meer, werd aan de minderjarige onmiddellijk verbod opgelegd om te vertrekken naar India en daar school te lopen, gekoppeld aan een algemeen uitreisverbod uit België, en werd een maatschappelijk onderzoek bevolen.

Hoewel het nog vraag is of tegen beschikkingen in hoger beroep cassatieberoep mogelijk is, werd tegen deze kabinetsbeschikking door de minderjarige cassatieberoep aangetekend.

DE TOEPASSING VAN HET DECREET INTEGRALE JEUGDHULP

Op 16 september 2013 is het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2013 met betrekking tot de oprichting en de werking van de toegangspoort en van de gemandateerde voorzieningen in de integrale jeugdhulp en van de gerechtelijke jeugdhulpverlening in de regio Oost-Vlaanderen in werking getreden (art. 48). De behandeling van deze zaak valt derhalve onder de toepassing van het Decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp aangezien deze zich situeert in de regio Oost-Vlaanderen.

DE TOETSING IN CONCRETO VAN DE VOORWAARDEN TOT HET OPLEGGEN VAN EEN DRINGEND NOODZAKELIJKE MAATREGEL

Wat betreft de voorwaarde van art. 47, 2°, a) Decreet Integrale Jeugdhulp
Het antwoord op de vraag of een gerechtelijke maatregel dringend noodzakelijk moet worden opgelegd is positief.

Wat betreft de voorwaarde van art. 47, 2°, b) Decreet Integrale Jeugdhulp.
Het hof stelt vast dat het schoolse traject van de minderjarige “ongewoon is en weinig stabiel”en dat hij doorheen de jaren een schoolse achterstand opbouwde. Het blijft bovendien onduidelijk of de minderjarige wel degelijk voldoet aan de wettelijke verplichtingen inzake de leerplicht. De toch ernstige schoolse achterstand van de minderjarige (die begin volgend jaar 16 wordt) heeft immers nu al tot gevolg dat – indien hij zijn geplande opleiding in India zou stopzetten en zou terugkeren, wat ten allen tijde mogelijk blijkt – zijn verdere ontplooiingskansen op schools niveau hier te lande sterk gehypothekeerd zijn door mogelijke nalatigheid op dit vlak.

Er blijven echter nog verdere vragen vooral over het maatschappelijk en sociaal functioneren/integreren (ook destijds op school) van de minderjarige waarover wellicht nog andere personen/instanties kunnen worden bevraagd. De thans ingrijpende keuze van G. wordt door zijn moeder echter onvoorwaardelijk en met onmiddellijke ingang gesteund, waaruit het hof besluit dat deze mogelijk sterk beantwoordt aan een eigen verwachtingspatroon. Zelfs aangenomen dat de keuze na onderling overleg tussen moeder en kind tot stand kwam en na bevraging bij een Boeddhistische leraar, blijft voor het hof ten zeerste de vraag bestaan naar het belang van het kind om deze beslissing onmiddellijk te volgen.

DE AARD EN DE DUUR VAN DE MAATREGEL

Krachtens art. 53 Decreet Integrale Jeugdhulp kan de jeugdrechter, na een vordering vermeld in art. 47, 2° een van de maatregelen nemen vermeld in art. 48 §1, eerste lid, 3° tot en met 13°.

De in dit arrest bepaalde voorlopige (ambulante) maatregel van oriëntatie komt in de gegeven omstandigheden passend voor en dit voor de maximale mogelijke termijn van 30 dagen. De voorlopige verbodsmaatregel om naar India te vertrekken en aldaar school te lopen, gekoppeld aan een algemeen uitreisverbod uit België, wordt hernomen. Al deze maatregelen kunnen op elke ogenblik worden ingetrokken of vervangen overeenkomstig art. 51, eerste lid Decreet Integrale Jeugdhulp. De bevoegde Sociale Dienst voor Gerechtelijke Jeugdhulpverlening wordt verder belast met het maatschappelijk onderzoek.

HET HOF OORDEELDE TEN GRONDE ALS VOLGT

Het hof legt het voorlopige verbod op aan G. om naar India te vertrekken en daar school te lopen. 

Het hof legt hem daarom een voorlopig algemeen uitreisverbod op uit België. 
Het Hof stelt G. vanaf heden voor 30 dagen onder begeleiding van het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum.(…)

Auteur: Christine Melkebeek

Bronnen:

  • Hof van Beroep Gent, Jeugdkamer 7 oktober 2013 nr. 2013/JZ/98.
  • “Aangezien er in het besproken arrest nog een aantal feitelijke onduidelijkheden bestaan moet verder onderzoek worden afgewacht alvorens ten gronde kan worden beoordeeld of dit in deze zaak het geval is. Op dit moment kunnen we niet meer dan enige twijfel daarover uiten. Men kan zich wel enige zorgen maken over de voorgenomen levenskeuzes van de betrokken jongere, maar dat is o.i. niet voldoende om een overheidsinmenging in het privé- en gezinsleven te verantwoorden. Op het eerste gezicht lijken de door het hof aanvaarde elementen van bezorgdheid (bv. de schoolse achterstand, moederlijke beïnvloeding, vrees voor het effect van langdurige scheiding) op te gaan voor veel minderjarigen. Het is alvast niet onze wens dat gedwongen jeugdhulpverlening wordt ingezet in de vele tienduizenden gevallen waarin schoolcarrières allesbehalve gesmeerd lopen, waarin kinderen zich erg spiegelen aan hun ouders of waarin minderjarigen (weloverwogen) ingrijpende levenskeuzes maken (bv. naar een buitenlandse voetbalclub of het Russisch ballet gaan, zich aanmelden voor een intensieve legeropleiding of het “klein seminarie”, acteren in een succesvolle serie, of…verhuizen naar het buitenland). Hoewel art. 54 van het nieuwe Decreet Integrale Jeugdhulp een verbetering is ten opzichte van de bepalingen van het Decreet Bijzondere Jeugdbijstand, is een aantal elementen op dit moment nog onduidelijk. Zo kan de vraag worden gesteld wat er dient te gebeuren indien de bevoegde instanties binnen de integrale jeugdhulp van oordeel zijn dat er géén jeugdhulpverlening hoeft te worden ingezet voor de betrokken minderjarige? Er is dan geen jeugdhulpverlening “georganiseerd, ondanks de bereidheid van de betrokkenen om daaraan mee te werken. De jeugdrechter beschikt dan o.i. wel nog over de mogelijkheid om de gerechtelijke jeugdhulpverlening (toch) voort te zetten. Overigens is het niet per se noodzakelijk dat men zich tot de toegangspoort richt, aangezien rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp in bepaalde gevallen kan volstaan. Verder is het ook onduidelijk wat de gevolgen zijn indien het verslag van de sociale dienst niet tijdig aan de jeugdrechtbank wordt overgemaakt. Het lijkt hier om een “termijn van orde” te gaan. De nieuwe regeling betekent dat nu eerst voorrang moet worden gegeven aan de eventuele mogelijkheid om vrijwillige jeugdhulpverlening te organiseren. Aangezien er hiervoor een termijn van zestig dagen geldt en er slechts een maatregel voor de duur van dertig dagen werd opgelegd is het eventueel mogelijk dat de jeugdrechter (en dus niet opnieuw het hof van beroep) bij het verstrijken van deze dertig dagen nog eens tussenkomt indien daarom wordt gevraagd. Wanneer men er echter in slaagt om de vrijwillige jeugdhulpverlening te organiseren, moet de jeugdrechter verplicht de maatregel opheffen”. S. HESPEL, J. PUT, “Ingrijpen(de) (in) levenskeuzes van minderjarigen: obstakels op de weg naar Boeddha”, TJK 2013/4”, te verschijnen”.
  • Zie over het nieuwe Decreet Integrale Jeugdhulp


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be