GwH 18 januari 2018 – afstamming langs vaderszijde – betwisting door bloedverwanten in opgaande en neerdalende lijn van overleden echtgenoot – termijn van één jaar – schending
GwH 18 januari 2018, arrest nr. 3/2018, rolnr. 6541

Inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 318, § 2, tweede lid, van het BW, gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde.

In casu gaat het over de tweede echtgenote van een overleden man die namens haar minderjarig kind overeenkomstig artikel 318, §2 BW, het vaderschap van haar overleden man betwist over zijn kind uit zijn eerste huwelijk. Zij stelt dat zij noch haar kind op de hoogte waren dat haar ondertussen overleden man reeds vader was van een kind.  Ook de overleden vader was hiervan niet op de hoogte. Het vermoeden van vaderschap stemde niet overeen met de socio-affectieve werkelijkheid.

Overeenkomstig artikel 318, § 2, tweede lid, van het BW kan bij overlijden van de echtgenoot zijn vaderschap binnen één jaar na zijn overlijden of na de geboorte worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.

Aangezien sinds het overlijden van de echtgenoot en de geboorte van het tweede kind meer dan 4 jaar zijn voorafgegaan aan het instellen van de vordering tot betwisting van het vaderschap is de vordering verjaard. 

Volgens de verwijzende rechter zou die situatie mogelijkerwijs in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Gw. omdat het startpunt van de vervaltermijn voor de echtgenoot is gesitueerd bij de kennisname van het bestaan van het kind, terwijl het startpunt van de vervaltermijn voor zijn bloedverwanten is gesitueerd binnen één jaar na zijn overlijden of na de geboorte van het kind.

Het GwH stelde dat het belang van het kind niet kan verantwoorden dat in alle gevallen de betwisting van de afstamming door de bloedverwanten in opgaande en neerdalende lijn van de overleden echtgenoot, zou kunnen worden verhinderd door het verlopen van een vervaltermijn zonder dat de persoon die de afstamming betwist, kennis heeft kunnen nemen van het feit dat die termijn was ingegaan.

De prejudiciële vraag werd door het GwH bevestigend beantwoord. Artikel 318 § 2, 2de lid BW schendt de artikelen 10, 11 en 22 van de Gw. en de artikelen 8 en 14 van het EVRM , in zoverre die bepaling het de bloedverwanten van een echtgenoot onmogelijk maakt om op te komen tegen de juridische afstamming van een kind van deze echtgenoot, gelet op het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na zijn overlijden of één jaar na de geboorte, daar waar de vervaltermijn van één jaar in hoofde van de echtgenoot pas begint te lopen na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader is van het kind.



Bron

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be