GwH – vordering tot schorsing wet pleegzorg – geen schending – vordering tot vernietiging wet pleegzorg nog hangende voor het GwH
GwH 19 oktober 2017, arrest nr. 126/2017, rolnummer 6721.

​In zake : beroep tot vernietiging en schorsing  van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers, of, in ondergeschikte orde, van de artikelen 8, 9 (gedeeltelijk) en 10 (in zijn geheel) ervan.

R.M. en I.H., vorderden in  eigen naam en namens hun minderjarig kind A.M.,  de vernietiging en de schorsing van de wet van 19 maart 2017. De bestreden wet werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 april 2017 en trad in werking op 1 september 2017.

NIEUW ARTIKEL 387 QUATER-ARTIKEL QUATERDECIES BW

De aangevochten wet voert een nieuw hoofdstuk in onder titel II “ouderlijk gezag en pleegzorg” in het Burgerlijk Wetboek (nieuw art. 387quater-art. 387quaterdecies BW). Bedoeling is om de uitoefening van het ouderlijk gezag te regelen in pleegzorgsituaties. Concreet bepaalt de nieuwe wet dat tijdens de periode van plaatsing de pleegzorgers het verblijfsrecht en het recht om alle dagdagelijkse beslissingen over het kind te nemen, uitoefenen.


Volgens verzoekers raakt de nieuwe wet aan de organisatie van pleegzorg. Ze argumenteerden dat de aard van de plaatsingsmaatregel verandert door de nieuwe wet, terwijl alleen de gemeenschappen bevoegd zijn om de inhoud hiervan te bepalen. Het statuut van de pleegzorgers, zoals bepaald in de wet van 19 maart 2017, regelt het burgerrechtelijk statuut van de minderjarige en zijn familie.

SCHENDING ARTIKEL 8 EVRM – ARTIKEL 3 EN 7 VRK?

Verzoekers haalden de schending aan van artikel 8 EVRM (recht op gezins- en familieleven), artikel 3 en 7 van het VRK (belang van het kind en het recht, voor zover mogelijk, zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd), in samenlezing met artikel 10 en 11 Grondwet en artikel 22 en 22bis Grondwet. De familierechter mag de homologatie van het akkoord over de delegatie van facetten van het ouderlijk gezag alleen weigeren als ze in strijd is met het belang van het kind. Verzoekers vroegen de vernietiging van deze bepaling omdat er op deze manier geen afweging mogelijk is met de belangen van de ouders en het openbaar ministerie.


Uit het verzoekschrift en in het bijzonder, uit de formulering van het door de verzoekende partijen aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel, bleek dat de vordering tot schorsing slechts betrekking had op artikel 10 van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers. Bij dat artikel 10 wordt in het Burgerlijk Wetboek een nieuw artikel 387octies ingevoegd, luidende:
"§ 1. Bij gebrek aan een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 387septies BW en op voorwaarde dat het kind gedurende ten minste één jaar voorafgaand aan het verzoek voortdurend was geplaatst in het gezin van de pleegzorgers, kunnen de pleegzorgers de familierechtbank verzoeken om ook buiten het geval van dringende noodzakelijkheid, de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, volledig of gedeeltelijk, aan hen te delegeren, met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind. Ook de rechten en plichten omtrent het beheer van de goederen van het kind kunnen aan de pleegzorgers worden gedelegeerd”.


Verzoekers vroegen bovendien de vernietiging van de mogelijkheid van een familierechter om, ook buiten dringende noodzakelijkheid, bevoegdheden aan pleegzorgers over te dragen in situaties waar het kind 1 jaar voorafgaandelijk is geplaatst in het gezin van de pleegzorgers. Verzoekers stelden hier vooral de proportionaliteit in vraag. Zo moet geenszins ‘de openbare orde’ geraakt worden of moeten er uitzonderlijk omstandigheden aangetoond worden om bevoegdheden van het ouderlijk gezag te kunnen delegeren. Het is ook niet, zoals bij een ontzetting uit het ouderlijk gezag, het openbaar ministerie dat hiertoe een verzoek instelt, maar de pleegzorgers zelf. De delegatiemogelijkheid zou - aldus de verzoekers - de confrontatie met de ouders nog versterken en zo bijdragen tot een verlenging van de plaatsing.


De verzoekende partijen voerden tevens overmacht aan. Zij stelden dat zij, vóór 5 juli 2017, de vordering tot schorsing niet dienstig konden instellen. Zij waren van mening dat ervan dient te worden uitgegaan dat de in het voormelde artikel 21, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde termijn pas begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, bewaarheid zijn . Zij situeerden dat ogenblik, wat hen betreft, op de datum van het door het Hof van Beroep te Brussel op 27 juni 2017 gewezen arrest waarbij de maatregel tot plaatsing bij een vertrouwenspersoon die bij vonnis van 7 december 2015 door de Jeugdrechtbank te Brussel werd genomen ten aanzien van A.M., werd verlengd.

GRONDWETTELIJK HOF – VORDERING TOT SCHORSING NIET ONTVANKELIJK

De redenering van verzoekers werd niet gevolgd door het Hof. De door de verzoekende partijen aangevoerde overmacht was geen onvoorziene, toevallige of uitzonderlijke gebeurtenis die hen heeft belet hun vordering in te stellen binnen de door de bijzondere wet van 6 januari 1989 opgelegde termijn. De verzoekende partijen voerden immers het gegeven aan dat zij op het ogenblik waarop de vordering tot schorsing kon worden ingesteld, nog niet het nadeel ondergingen waarvan zij vreesden dat zij het werkelijkheid zullen zien worden.


Het Hof kan een wetskrachtige norm schorsen op voorwaarde dat de onmiddellijke uitvoering ervan « een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen » (artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989). De verzoekende partijen moeten het bestaan aantonen van mogelijk risico tot nadeel en niet een nadeel dat reeds bestaat of waarvan het zeker is dat het nadeel zich zal voordoen bij de inwerkingtreding van de bestreden bepaling.
Bovendien bleek uit de feiten van de zaak zoals zij door de verzoekende partijen werden uiteengezet, dat zij vanaf de bekendmaking van de bestreden wet konden opmerken dat de onmiddellijke toepassing ervan hun het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij beschreven, kon berokkenen.


Er was weliswaar een element van onzekerheid verbonden aan het aangevoerde risico van een nadeel, maar de verzoekende partijen konden niet staande houden dat het risico dat nadeel werkelijkheid te zien worden pas opdook met het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 27 juni 2017.


De vordering tot schorsing was niet ontvankelijk.


Vordering tot vernietiging nog hangende


De vordering tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers, of, in ondergeschikte orde, van de artikelen 8, 9 (gedeeltelijk) en 10 (in zijn geheel) ervan is momenteel nog hangende voor het Grondwettelijk Hof.


Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen


Bron

 

  • GwH 19 oktober 2017, arrest nr. 126/2017, rolnummer 6721.


Trefwoorden:

 

  • Wet van 19 maart 2017, BS 5 april 2017, 48369
  • Artikels 387 quater – quaterdecies, septies BW
  • Artikel 8 EVRM
  • Artikels 3 en 7 VRK 6 januari 1989
  • Artikels 10, 11, 22 en 22bis Gw
  • Plaatsing van een kind in het kader van de jeugdbescherming
  • Familierechter
  • Bijzondere wet van 6 januari 1989
  • Moeilijk te herstellen nadeel
  • Belang van het kin

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be