Grondwettelijk Hof verwerpt beroepen tegen de wet die euthanasie voor minderjarigen mogelijk maakt en verscherpt waarborgen
Rechtspraak 06/12/2015

Grondwettelijk Hof 29 oktober 2015, arrest nr. 145/2015

​Beroepen tot vernietiging

De beroepen tot vernietiging van de wet van 28 februari 2014 tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie, teneinde euthanasie voor minderjarigen mogelijk te maken werden door drie verenigingen ingediend. De vzw’s Jurileven, Pro Vita en Jongeren voor Leven. Het Grondwettelijk Hof voegde de beroepen samen.

De verzoekende partijen waren o.a. van mening dat de wetgever door euthanasie voor minderjarigen toe te staan niet was tegemoetgekomen aan zijn bijzondere plicht inzake de bescherming van minderjarigen, gelet op hun bijzondere kwetsbaarheid, en geen rekening had gehouden met de ontstentenis van autonomie van een minderjarige, noch met de omstandigheden waarin euthanasie wordt geacht plaats te hebben.

De verzoekende partijen voerden voorts aan dat, terwijl een minderjarige wordt geacht niet bekwaam te zijn zichzelf te leiden en zijn goederen te beheren, de bestreden wet hem wel toelaat te verzoeken om euthanasie, de meest ernstige handeling die er is. Ze waren ook van mening dat een minderjarige, die intrinsiek kwetsbaar is, wordt verondersteld te kunnen beslissen om een beroep te doen op euthanasie, terwijl de in de wet omschreven voorwaarden extreem zijn en die kwetsbaarheid tot het uiterste drijven.

Grondwettelijk Hof

In zijn arrest van 29 oktober 2015 oordeelde het Hof dat de wet van 28 februari 2014 wel degelijk strookt met de bepalingen van het recht op leven in verschillende grondwetsbepalingen en met artikel 2 EVRM. Volgens het Hof zijn er voldoende garanties in de wet opgenomen rond de oordeelsbekwaamheid van de minderjarige. Het Hof wees erop dat de wetgever, door euthanasie voor minderjarigen die zich in een onuitzichtloze toestand bevinden van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet kan worden gelenigd, uit het strafrecht te halen, tegemoet is willen komen aan de vraag van kinderartsen en andere zorgverstrekkers.

Het Hof besteedde wel veel aandacht aan de raadpleging van een kinder- of jeugdpsychiater of – psycholoog. De behandelende arts moet gebonden zijn door diens advies over de oordeelsbekwaamheid van de minderjarige. Zonder schriftelijke attestering van de oordeelsbekwaamheid kan geen euthanasie uitgevoerd worden. Ook stelt het Hof dat de psychiater of psycholoog onafhankelijk moet zijn van de behandelende arts, de patiënt en zijn wettelijke vertegenwoordigers.

Onafhankelijke kinder- en jeugdpsychiater of jeugdpsycholoog oordelen over de oordeelsbekwaamheid van de minderjarige

Het Hof oordeelde dat de raadpleging van een kinder- en jeugdpsychiater of van een –psycholoog is opgevat als een extra waarborg voor de goede toepassing van de wet. Artikel 3, §2, 7° van de wet van 28 mei 2002, zoals gewijzigd bij de wet van 28 februari 2014, dient bijgevolg in die zin te worden geïnterpreteerd dat de behandelende arts ten aanzien van een minderjarig kind, onder de voorwaarden die hiervoor in herinnering zijn gebracht, geen euthanasie kan uitvoeren zonder dat de oordeelsbekwaamheid van de minderjarige schriftelijk is geattesteerd door een kinder- en – jeugdpsychiater of een – psycholoog.

In anderhalf jaar tijd, sinds de uitbreiding van de euthanasiewet, is naar verluidt nog geen enkel geval van euthanasie bij niet-ontvoogde minderjarigen gemeld bij de federale controle- en evaluatiecommissie.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be