Grondwettelijk Hof afstamming van vaderszijde – bezit van staat - betwisting kind ouder dan 22 jaar – recht op eerbiediging
Rechtspraak 01/03/2016

Grondwettelijk Hof 3 februari 2016, arrestnr. 18/2016, rolnr. 6120

​Prejudiciële vragen betreffende Artikel 318, §1 en 2 BW gesteld door de franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

De rechtbank vroeg aan het Grondwettelijk Hof of artikel 318, §2 BW artikel 22 van de Grondwet schendt al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM, in zoverre het een vaste termijn bepaalt die een kind ouder dan 22 jaar verbiedt om het vaderschap van de echtgenoot van zijn moeder meer dan een jaar na de ontdekking dat die niet zijn vader is, te betwisten, terwijl dat kind reeds vele jaren meerderjarig is, over een vorderingsrecht beschikt om het wettelijk vaderschap te betwisten en een bezit van staat heeft met de echtgenoot van zijn moeder heeft laten vormen ondanks zijn overtuiging dat dat bezit van staat niet overeenstemde met de biologische werkelijkheid.

Schendt artikel 318, §1 BW, artikel 22 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM, in zoverre het aan het bezit van staat te wijten absolute grond van niet-ontvankelijkheid invoert voor de vordering tot betwisting van het vaderschap die is ingesteld door het ruim meerderjarig kind dat verschillende jaren na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, in rechte treedt, een ontdekking die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 2006 die bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) is gewijzigd.

De feiten

Op 29 juli 2013 stelde Delphine Boël voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen Jacques Boël een vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in en tegen Koning Albert II een vordering tot onderzoek naar het vaderschap.

De verwijzende rechter is van oordeel dat er tussen D. Boël en Jacques Boël een voortdurend en ondubbelzinnig bezit van staat bestaat en dat dat bezit van staat, krachtens de in het geding zijnde bepaling, een grond van niet-ontvankelijkheid voor de vordering tot betwisting van het vaderschap vormt.

De verwijzende rechter beklemtoont dat de vordering van D. Boël te dezen bijna 28 jaar na de ontdekking van de waarheid over haar biologische afstamming wordt ingesteld, zodat het bezit van staat gedurende die jaren voortdurend en met kennis van zaken van de betrokken partijen is blijven bestaan.

De verwijzende rechter is van oordeel dat de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap door D. Boël niet is ingesteld binnen de bij artikel 318 BW vastgestelde termijn van één jaar, vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van haar moeder niet haar vader is.

De verwijzende rechter brengt in herinnering dat D. Boël de waarheid van haar biologische afstamming bijna twee jaar vóór de inwerkingtreding van de wet van 31 maart 1987, waarbij aan het kind het recht werd toegewezen om zijn afstamming van vaderszijde gedurende 4 jaar vanaf zijn 18 jaar te betwisten, heeft vernomen, zodat zij over een termijn van meer dan twee jaar heeft beschikt om in rechte op te treden. De verwijzende rechter beklemtoont dat D. Boël de mogelijkheid heeft gehad het vaderschap te betwisten onder de gelding van de wet van 31 maart 1987, maar dat zij zulks niet heeft gedaan, waardoor zij het bezit van staat aldus heeft laten voortbestaan.

D. Boël betwist het bezit van staat tussen haar en haar wettige vader. Zij merkt eveneens op dat rekening moet worden gehouden met het belang van het kind, ongeacht zijn leeftijd. En stelt dat zij en haar moeder gedurende een lange periode beslisten om erg discreet te blijven over haar afstamming teneinde de persoon van Koning Albert II te beschermen zodat haar geen gebrek aan spoed zou kunnen worden verweten en dat het wegens Zijn immuniteit niet mogelijk was om tegen de Koning een vordering tot onderzoek naar het vaderschap in te stellen. Jacques Boël is van mening dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hij is van oordeel dat de afweging van de aanwezige belangen ertoe moet leiden dat de biologische en sociale werkelijkheid prevaleert op een wettelijk vermoeden dat ingaat tegen de wetenschappelijke aangetoonde feiten en tegen de wil van de betrokken personen en dat nooit met enige socioaffectieve werkelijkheid heeft overeengestemd.

Grondwettelijk Hof

De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap. Dat het “bezit van staat” als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt het kind volledig de mogelijkheid ontnomen om het vermoeden van vaderschap te betwisten.

Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen en derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM.

Ook de tweede prejudiciële vraag dient bevestigend beantwoord te worden. Het aanvoeren van een grond van niet-ontvankelijkheid, tegen de door het kind ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap wegens het bestaan van een bezit van staat tussen dat kind en zijn wettige vader, leidt immers ertoe dat de rechter op absolute wijze wordt verhinderd rekening te houden met de belangen van alle partijen.

Een kind ouder dan 22 jaar kan het vaderschap nog betwisten na de termijn van één jaar na de ontdekking dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn biologische vader is

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat een persoon die is behandeld als het kind van de echtgenoot van zijn moeder (wat men het “bezit van staat” noemt), het vaderschap van die man kan betwisten. Dat geldt ook als het kind het bezit van staat heeft laten voortbestaan na te hebben vernomen dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn biologische vader is . Wat de termijn betreft waarbinnen het vaderschap kan worden betwist, oordeelde het Hof dat het kind dat ouder is dan 22 jaar de vordering daartoe ook nog kan instellen nadat meer dan een jaar verstreken is sedert het kind heeft ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is. Anders zou het kind ook geen vordering tot onderzoek van vaderschap tegen de beweerde man kunnen instellen, terwijl het recht van eenieder op vaststelling van zijn afstamming in beginsel de overhand dient te krijgen op het belang van de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden.

Gevolg van het “bezit van staat” van het kind ten aanzien van zijn wettelijke vader voor de ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vaderschap

Volgens het Hof verandert de specifieke omstandigheid dat het kind het bezit van staat heeft laten voortbestaan na te hebben vernomen dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn biologische vader was, daaraan niets. Hierover anders oordelen zou er immers toe leiden dat de rechter op absolute wijze wordt verhinderd rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. Ook al bestaan er familiale banden of hebben ze bestaan, toch doet artikel 318, §2 BW op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven van elk kind, door de korte verjaringstermijn die aan het kind de mogelijkheid zou kunnen ontzeggen om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen.

Het Grondwettelijk Hof voegt er nog aan toe dat indien het kind buiten het huwelijk was geboren en iemand het als vader had erkend, het kind die erkenning met toepassing van de artikelen 330 en 331 ter van het BW nog ver na de leeftijd van 22 jaar had kunnen betwisten. Het kind dat binnen het huwelijk is geboren, zou minder gunstig worden behandeld dan dus worden gediscrimineerd tegenover het kind dat buiten het huwelijk is geboren.

Laattijdig vaderschap betwisten wordt mogelijk

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat iedereen recht heeft om te weten wie zijn biologische ouders zijn. Dit gaat voor op de rust van de families. Delphine Boël kan de gerechtelijke procedure om erkend te worden door Koning Albert II verderzetten. Wanneer de Brusselse rechter zou oordelen dat Jacques Boël niet haar vader is kan ze een vordering instellen tegen koning Albert II, tot onderzoek van het vaderschap. Koning Albert II is evenwel wel niet verplicht een DNA-test te ondergaan.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Grondwettelijk Hof 3 februari 2016, arrestnr. 18/2016, rolnr. 6120


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be