Grondwettelijk Hof: geen verplichte keuze tussen lessen niet-confessionele zedenleer of godsdienst in de franse gemeenschap
Rechtspraak 05/06/2015

Grondwettelijk Hof 12 maart 2015, nr. 34/2015

​De feiten

Op 4 november 2013 stelden de ouders van een meisje uit het Franstalig Brussels stedelijk onderwijs een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Daarmee vochten zij de beslissing aan van de stad Brussel, deze weigerde een vrijstelling te verlenen voor het volgen van de lessen godsdienst of niet-confessionele zedenleer. De Raad van State stelde daarop een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof om duidelijkheid te krijgen over de grondwettigheid van de regeling in de Franse Gemeenschap. De Franse Gemeenschap beschouwt de niet-confessionele zedenleer als een volstrekt neutraal alternatief voor het aangeboden godsdienstonderwijs, waardoor wie zich niet kan vinden in één van de aangeboden godsdiensten terecht kan in deze cursus, zonder de eigen overtuiging aangetast te zien.

Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof stelde dat ouders niet uitdrukkelijk kunnen worden verplicht om een vrijstelling voor de bijwoning van levensbeschouwelijke vakken door hun kinderen te motiveren. De vrijstellingen moeten verleend worden op eenvoudige vraag van de ouders. Bovendien, teneinde hun recht te beschermen om hun godsdienstige of filosofische overtuigingen niet kenbaar te maken, overtuigingen die voor alles vallen onder het meest innerlijke van ieder, zouden de stappen die moeten worden gedaan om die vrijstelling te verkrijgen, de ouders niet ertoe mogen verplichten hun verzoek om vrijstelling te motiveren en aldus hun godsdienstige of filosofische overtuigingen kenbaar te maken. “Het Grondwettelijk Hof wijst erop dat de cursus niet-confessionele zedenleer als een geëngageerde cursus moet worden beschouwd en dat hij de titularis van die cursus toestaat te getuigen voor een bepaald filosofisch stelsel” (B.6.4.)

“Hieruit vloeit voort dat het decretale kader zoals het thans in de Franse Gemeenschap bestaat, niet waarborgt dat de cursussen godsdienst of de cursus niet-confessionele zedenleer die ter keuze aan de ouders worden aangeboden, zoals zij bij de relevante bepalingen zijn geregeld, informatie of kennis verspreiden op tegelijk « objectieve, kritische en pluralistische » wijze overeenkomstig de voormelde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. B.7.1. In die situatie vloeit uit de voormelde rechtspraak van het Europees Hof”. (B.6.5.)

Volgens het EHRM, zouden de stappen die moeten worden gezet om een vrijstelling te verkrijgen, de ouders niet ertoe mogen verplichten hun verzoek om vrijstelling te motiveren en aldus hun godsdienstige of filosofische overtuigingen kenbaar te maken (EHRM, 9 oktober 2007, Hasan en Eylem Zengin t. Turkije, § 76; 16 september 2014, Mansur Yalçin en anderen t. Turkije, §§ 76-77). Dit is volgens het Grondwettelijk Hof niet het geval in de Franse Gemeenschap.

Bronnen:

  • Grondwettelijk Ho12 maart 2015, nr. 34/2015
  • J. LIEVENS, “Grondwettelijk Hof maakt komaf met verplichte keuze tussen godsdienst en zedenleer”, De Juristenkrant 2015/306, 3.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be