Grondwettelijk Hof - meemoederschap - schending
Rechtspraak 28/03/2017

GwH 16 februari 2017, arrestnr. 24/2017, rol nr. 6391.

​Inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 325/7, § 1, vijfde lid, van het BW, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, familierechtbank.

« Schendt artikel 325/7 § 1, vijfde lid van het BW artikel 10 en 11 van de Grondwet eventueel samen gelezen met artikel 8 en 14 van het EVRM en de fundamentele vrijheden en met het VRK, doordat het een ongelijkheid in het leven roept tussen de betwisting van de erkenning door de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist en die onverwijld kennis heeft kunnen nemen van de erkenning van het kind door een andere vrouw, en de betwisting van de erkenning door de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist en die pas later kennis heeft kunnen nemen van de erkenning van het kind door een andere vrouw en zich op dat ogenblik in voorkomend geval reeds buiten de vervaltermijn van één jaar bevond?”.

De feiten

B.W. en A.N. huwden op 2 juli 2011. Op 26 mei 2012 gaf B.W. in een geschreven overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten haar toestemming voor een vruchtbaarheidsbehandeling met donorsperma bij A.N.

Ingevolge die behandeling beviel A.N. op 14 juli 2013 van M.N. Het geboortekaartje vermeldde A.N. en B.W. als ouders. In oktober 2013 verlieten A.N. en M.N. de gezinswoning. Bij vonnis van 11 december 2014 zijn ze uit de echt gescheiden. De tussen A.N. en B.W. overeengekomen omgangsregeling werd in maart 2014 eenzijdig verbroken door A.N. Op 17 juni 2014 legde de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zitting houdende in kort geding, een maandelijks omgangsrecht tussen B.W. en M.N. op. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, familierechtbank, van 27 januari 2015 werd een maatschappelijk onderzoek bevolen en werd het omgangsrecht tussen B.W. en M.N. uitgebreid. Het verslag van het maatschappelijk onderzoek gaf aan dat het kind zich zowel aan A.N. als aan B.W. heeft gehecht en dat het voor diens verdere ontwikkeling aangewezen is om zijn hoofdverblijf bij A.N. en een secundair verblijf bij B.W. te hebben.

B.W. dagvaardde A.N. op 19 maart 2015 om gemachtigd te worden om, als meemoeder, M.N. te erkennen en de familienaam van M.N. te laten aanpassen. In de loop van die procedure, op 1 juli 2015, werd M.N. evenwel erkend door S.S., de nieuwe partner van A.N. en vrijwillig tussenkomende partij.
Verschil in behandeling tussen twee categorieën van vrouwen die het meemoederschap opeisen 
In het geschil voor de verwijzende rechter voerden A.N. en S.S. aan dat de vordering van B.W. onontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de termijn waarbinnen B.W. de erkenning als meemoeder door S.S. kan betwisten, slechts één jaar bedraagt en die termijn begint te lopen op het ogenblik dat zij heeft toegestemd met de verwekking. De verwijzende rechter was van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling in het leven roept tussen twee categorieën van vrouwen die het meemoederschap opeisen, namelijk diegenen die tijdig kennis hebben genomen van de erkenning als meemoeder door een derde en diegenen die daarvan niet tijdig kennis hebben genomen.

Vervaltermijn van één jaar

De prejudiciële vraag heeft betrekking op het vertrekpunt van de vervaltermijn van een jaar, bepaald in artikel 325/7, § 1, vijfde lid, BW, van de vordering tot betwisting van een erkenning van meemoederschap. Het geschil voor de verwijzende rechter betreft een « vrouw die het meemoederschap van het kind opeist », zodat krachtens die bepaling haar vordering diende te worden ingesteld « binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij heeft toegestemd in de verwekking overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten en de verwekking het gevolg kan zijn van die daad ».


De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de afstamming raken het privéleven omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49; 21 juni 2011, Krušković t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t. Hongarije, § 28). De in het geding zijnde regeling voor het betwisten van de erkenning van het meemoederschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het EVRM.

Belang van het kind

Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het VRK verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Het EHRM heeft verduidelijkt dat, bij het afwegen van de in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind dienen te primeren (EHRM, 5 november 2002, Yousef t. Nederland, § 73; 26 juni 2003, Maire t. Portugal, §§ 71 en 77; 8 juli 2003, Sommerfeld t. Duitsland, §§ 64 en 66; 28 juni 2007, Wagner en J.M.W.L. t. Luxemburg, § 119; 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk t. Zwitserland, § 135; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 63).

Grondwettelijk Hof - schending

Krachtens artikel 325/4 BW kan een vrouw als meemoeder een kind erkennen indien geen vermoeden van meemoederschap in de zin van artikel 325/2 van het BW is gevestigd. De voorwaarden bepaald in artikel 329bis van het BW zijn op die erkenning van toepassing. Aldus is in beginsel de toestemming van de moeder vereist. Ook de toestemming van het kind is in beginsel vereist indien het meerderjarig of ontvoogd is of indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.


Een erkenning van het meemoederschap kan krachtens artikel 325/7, § 1, eerste lid, BW slechts worden betwist indien het kind geen bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend. Alleen de man die het vaderschap opeist, de moeder, het kind, de vrouw die het kind erkend heeft en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist kunnen krachtens die bepaling de erkenning van het meemoederschap betwisten.
Aangezien de termijnen voor de betwisting van een erkenning van het meemoederschap mutatis mutandis zijn overgenomen van de regeling inzake de betwisting van een vaderlijke erkenning, bedoeld in artikel 330, § 1, vierde lid, BW, kan worden aangenomen dat aan de in het geding zijnde termijnen dezelfde doelstellingen ten grondslag liggen.
Artikel 16 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het BW met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan heeft voor de betwisting van een vaderlijke erkenning in korte vervaltermijnen en in een beperkt aantal titularissen voorzien, terwijl alle belanghebbenden onder de vroegere regeling beschikten over een termijn van dertig jaar die liep vanaf het opmaken van de erkenningsakte. Met die wijziging beoogde de wetgever « de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen […] door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6). Bovendien streefde de wetgever een zo groot mogelijk parallellisme na tussen de procedure van betwisting van het vaderschapsvermoeden en de procedure van betwisting van een vaderlijke erkenning (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. nr. 3-1402/7, pp. 51-52).

Die doelstellingen mogen evenwel niet als gevolg hebben dat voor een bepaald type van betwisting van een erkenning van het meemoederschap de vordering onmogelijk kan worden gemaakt. Het recht op toegang tot de rechter zou immers worden geschonden indien aan een procespartij een excessief formalisme wordt opgelegd in de vorm van een termijn waarvan de haalbaarheid afhankelijk is van omstandigheden buiten zijn wil (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, §§ 27-28).

Belang van het kind

Ook het belang van het kind kan niet verantwoorden dat in alle gevallen de erkenning door de vrouw die heeft toegestemd in zijn verwekking overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, kan worden verhinderd door een weigering van de moeder en een daaropvolgende leugenachtige erkenning. Of het belang van het kind het meest gebaat is met de erkenning door de vrouw die heeft toegestemd in zijn verwekking dan wel met de erkenning door een derde, zal afhangen van de concrete omstandigheden van elk geval.

Omdat de in het geding zijnde bepaling toelaat dat de termijn opgelegd aan de vrouw die het meemoederschap opeist, aanvangt vooraleer zij kennis heeft kunnen nemen van het feit dat een erkenning heeft plaatsgevonden, is zij niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Artikel 325/7, § 1, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, in zoverre de daarin bepaalde vervaltermijn voor de vrouw die het meemoederschap opeist, kan aanvangen vooraleer de betwiste erkenning plaatsvindt.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter ad interim Kinderrechtencoalitie Vlaanderen.

Bron:

  • GwH 16 februari 2017, arrestnr. 24/2017, rol nr. 6391.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be