Grondwettelijk Hof - belang van het kind - marginale toetsing - schending
Rechtspraak 25/09/2015

GwH 2 juli 2015, arrestnummer 101/2015, rolnummer 6175,

​Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen

L. werd geboren op 9 augustus 2006. Volgens de geboorteakte is C. haar moeder. Er werd geen vaderlijke afstamming vastgesteld. Op 31 december 2013 worden C. en N., in de hoedanigheid van voogd ad hoc van L., door M. gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, met het oog op het verkrijgen van en de toelating om L. te erkennen als zijn kind, overeenkomstig de artikelen 319 en 329 bis, § 2 BW.

De moeder betwist niet dat M. de biologische vader is, doch weigert haar toestemming te geven voor de erkenning, omdat deze niet in het belang van het kind zou zijn. De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen stelt vast dat het belang van het kind krachtens artikel 329 bis, § 2 BW, door de rechter slechts marginaal kan getoetst worden. De rechtbank acht het aangewezen een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 329 bis § 2, derde lid BW artikel 22bis vierde lid van de Grondwet, waar dit artikel stelt dat de rechtbank de erkenning kan weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind, en als het aldus wordt uitgelegd dat het de rechtbank slechts een marginale toetsing van het belang van het kind toestaat”.

Grondwettelijk Hof

Zowel artikel 22 bis, vierde lid Grondwet als artikel 3, lid 1 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in procedures die op het kind betrekking hebben. Artikel 22bis, vijfde lid Grondwet geeft de bevoegde wetgever overigens de opdracht te waarborgen dat het belang van het kind de eerste overweging is.

Hoewel het belang van het kind een primordiaal karakter heeft, geeft het daaraan nog geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie. Die bijzondere plaats maakt het evenwel niet mogelijk om niet eveneens rekening te houden met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen. 

Door te bepalen dat de rechtbank de erkenning kan weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind, staat artikel 329 bis, § 2, derde lid BW niettemin, slechts een marginale toetsing toe, door de rechter, van het belang van het kind, die niet bestaanbaar is met de vereiste van artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, bij het afwegen van de op het spel staande belangen, een voorrangspositie toe te kennen aan het belang van het kind.

Artikel 329 bis, §2, derde lid van het BW schendt artikel 22bis vierde lid van de Grondwet omdat het de rechtbank slechts een marginale toetsing van het belang van het kind toestaat.

Marginale toetsing

Hiermee wordt bedoeld dat in bepaalde gevallen een rechtshandeling of een feitelijke gedraging die aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen door deze niet volledig volgens eigen inzicht maar slechts op beperkte wijze kan beoordeeld. De bedoelde beperkte beoordelingsbevoegdheid van de rechter bevindt zich in het midden tussen het geheel ontbreken daarvan, en de volledige toetsing waarbij de rechter zonder meer de aan hem onderworpen gedraging of rechtshandeling beoordeelt volgens zijn eigen maatstaven omtrent wat behoorlijk of onbehoorlijk is. (J. RONSE, “Marginale toetsing in het privaatrecht”, TPR (Tijdschrift voor Privaatrecht) 1977, 208).

Het Grondwettelijk Hof had de marginale toetsing reeds ongrondwettig bevonden in een eerder arrest van 7 maart 2013 en is duidelijk voorstander van een volledige toetsing aan de belangen van het kind. Het mag duidelijk zijn dat de rechter, in een grondwetsconforme interpretatie, de vordering tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap na verzet moet kunnen afwijzen, in gevallen waarin deze vaststelling van de afstamming de belangen van het kind niet dient, op basis van een opportuniteitsoordeel waarbij het belang van het kind ten volle moet worden getoetst. (E. IGNOVSKA, G. VERSCHELDEN, “De rechterlijke toetsing van het van belang van het kind bij het onderzoek naar het vaderschap”, noot onder GwH 7 maart 2013, arrestnummer 30/2013, TJK 2013/2, 162).

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be