Grondwettelijk Hof - adoptie kind door tweelingzus toegestaan - schending
Rechtspraak 12/09/2017

Grondwettelijk Hof 13 juli 2017, arrest nr. 95/2017, rolnr. 6641.

Grondwettelijk Hof 16 februari 2017, arrest nr. 25/2017, rolnr. 6412.

​In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 343, § 1, b), en 353 BW, in samenhang gelezen met de artikelen 162 en 164 BW, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren.

« Schenden artikel 343 § 1 b) BW en de artikelen 353 e.v. BW in samenhang gelezen met de artikelen 162 en 164 van het BW, de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet en de artikelen 8 en 14 van het EVRM, in zoverre dat adoptie enkel mogelijk is voor alle samenwonenden die gedurende meer dan drie jaren samenwonen, en tevens voor samenwonende bloedverwanten waarvoor een huwelijksbeletsel bestaat waarvoor ontheffing kan worden verleend, doch dat samenwonende bloedverwanten, waarvoor een absoluut huwelijksverbod geldt (en dus voor het huwelijksverbod geen ontheffing verleend kan worden) algemeen en zonder uitzondering worden uitgesloten voor adoptie terwijl personen onder gelijke omstandigheden, doch waarvoor geen huwelijksbeletselen bestaan conform art. 343 § 1 b) B.W. wel een kind kunnen adopteren indien zij aan de overige voorwaarden voldoen en terwijl samenwonende bloedverwanten onder gelijke omstandigheden, waarvoor bovendien wél een huwelijksbeletsel bestaat omwille van bloedverwantschap, maar waarvoor wel ontheffing mogelijk is, conform art. 343 § 1 b) BW wel een kind kunnen adopteren indien zij aan de overige voorwaarden voldoen?

De feiten

Ann en Els zijn tweelingzussen die samen wonen en beiden een affectieve band hebben met J. Ann legde een verzoekschrift tot gewone adoptie van de minderjarige J. neer op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Genk. J., van wie de vaderlijke afstamming niet vaststaat, J. is de minderjarige dochter van Els. Een adoptie van J. door Ann, zou van haar de wettelijke meemoeder maken en de gevoelsmatige en feitelijke band bekrachtigen.

De verwijzende rechter stelde vast dat feitelijk samenwonende broers, zusters en broer en zus de kinderen van de andere broer of zus met wie ze samenwonen niet kunnen adopteren, gelet op artikel 343, § 1, junctis de artikelen 162 en 164 van het BW. Daarnaast wordt tevens verwezen naar het arrest van het GwH van 16 februari 2017, nr. 25/2017, en meent de verwijzende rechter dat het absolute huwelijksbeletsel, ingevolge de bloedverwantschap tussen zusters, tot gevolg heeft dat de eisende partij, Ann, voor de verwijzende rechter nooit enig aspect van het ouderlijk gezag op zich zal kunnen nemen, niettegenstaande zij op duurzame en affectieve wijze samenwoont met het kind en haar biologische moeder.

In rechte

In hun conclusies, die werden opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet op het GwH of, hebben de rechters-verslaggevers vastgesteld dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over een soortgelijke prejudiciële vraag, namelijk in het arrest nr. 25/2017. Zoals het Hof in dit arrest oordeelde, is het niet redelijk verantwoord dat de absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot gewone adoptie tot gevolg heeft dat een kind op absolute wijze wordt uitgesloten van de mogelijkheid om gewoon geadopteerd te worden door de verwant in de zijlijn van zijn ouder, zonder dat voor de rechter de mogelijkheid bestaat om rekening te houden met het belang van de kinderen die kandidaat-geadopteerde zijn, terwijl dit, overeenkomstig artikel 344-1 van het BW, noodzakelijk is.

Evenwel bepaalt artikel 344-1 van het BW dat een adoptie steeds dient plaats te vinden « in het hoger belang van het kind en met eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen ». Niets laat toe te vermoeden dat het nooit in het belang is van het kind dat het voorwerp van het verzoek tot adoptie uitmaakt, om te worden geadopteerd door de feitelijk samenwonende partner van zijn moeder, wanneer er tussen hen een huwelijksbeletsel bestaat waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen.

Door een huwelijksbeletsel waarvoor de Koning geen opheffing kan verlenen als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot gewone adoptie in te stellen, laat de wetgever de juridische gevolgen van een absoluut huwelijksbeletsel in alle omstandigheden prevaleren op andere belangen die in het geding kunnen zijn, waaronder het belang van kinderen die kandidaat-geadopteerde zijn.

Belang van het kind

Ingevolge die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt het kind op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om gewoon geadopteerd te worden door de verwant in de zijlijn van zijn ouder. Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om ten gronde rekening te houden met het belang van de kinderen die kandidaat-geadopteerde zijn, terwijl dit, overeenkomstig artikel 344-1 BW noodzakelijk is. Een dergelijke maatregel is niet redelijk verantwoord. Artikel 343, § 1, b) BW in samenhang gelezen met de artikelen 162 en 164 BW, is derhalve niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet. Een dergelijk verbod gaat immers in tegen de rechten van het kind, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel.

Het Grondwettelijk Hof stelde dat het verbod op adoptie tussen nabije bloedverwanten niet redelijk verantwoord is. De prejudiciële vraag werd bevestigend beantwoord.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Grondwettelijk Hof 13 juli 2017, arrest nr. 95/2017, rolnr. 6641.
  • Grondwettelijk Hof 16 februari 2017, arrest nr. 25/2017, rolnr. 6412.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be