Grondwettelijk Hof – territoriale bevoegdheid familierechtbank – belang van het kind -artikel 629bis Ger. W. niet in strijd
Rechtspraak 31/05/2016

GwH 25 februari 2016, nr. 29/2016, rolnr. 6116

​Inzake de prejudiciële vraag over artikel 629bis Ger. W., gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik.

De feiten

A.L. en M.EM zij gescheiden en hebben twee kinderen. A.L. heeft een verzoekschrift ingediend waarbij zij vraagt om een wijziging van de verblijfsregeling die eerder was vastgesteld door de kortgedingrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die de overeenkomst van de partijen bekrachtigde waarbij een recht van hoofdverblijf bij de moeder werd toegekend, en een recht van secundair verblijf bij de vader. Op basis van een verslag van de psycholoog van haar kinderen en een medisch getuigschrift vraagt de moeder dat het secundair verblijf bij de vader wordt omkaderd door professionele hulpverleners.

Verwijzende rechter stelt vast dat de wetgever in geen enkele mogelijkheid heeft voorzien om de zaak te behouden indien het hoger belang van het kind het vereist

De verwijzende rechter stelt vast dat, hoewel geen van de partijen zijn bevoegdheid heeft betwist, artikel 629bis, § 1, Ger. W. van openbare orde is, zodat hij de kwestie van zijn bevoegdheid ambtshalve moet opwerpen. Hij stelt vast dat de wetgever heeft voorzien in een mogelijkheid, voor de rechter, om de zaak ambtshalve door te verwijzen indien het hoger belang van het kind het vereist, maar in geen enkele mogelijkheid heeft voorzien, voor de rechter, om de zaak te behouden indien het hoger belang van het kind het vereist, meer bepaald wanneer het zijn leven leidt en gedomicilieerd is in zijn arrondissement, wat impliceert dat het zal moeten worden gehoord door een rechter van een ander arrondissement, en dat elke andere nuttige onderzoeksmaatregel met betrekking tot zijn persoonlijkheid, zijn leefomgeving, enz., door een rechter van een ander arrondissement zal worden opgelegd.

Indien hij de zaak doorverwijst naar de Rechtbank van eerste aanleg Brussel, zal deze de zaak bovendien niet kunnen doorverwijzen naar de rechtbank van de  woonplaats van de kinderen omdat de verwijzingsbeslissing de rechter naar wie de vordering wordt doorverwezen bindt, overeenkomstig artikel 660  Ger. W. De verwijzende rechter heeft dan ook aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld.

Prejudiciële vraag

Schendt artikel 629bis Ger. W. niet met name de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere supranationale wetsbepalingen zoals het EVRM en met name artikel 8 ervan, in zoverre het de rechter op absolute wijze de mogelijkheid ontzegt rekening te houden met het noodzakelijkerwijs hogere belang van het kind, door het hem niet mogelijk te maken de zaak te behouden in de hypothese dat het belang van het kind dat vereist en dat een vroegere beslissing ten aanzien van dat kind door een andere rechter is uitgesproken, terwijl het die andere rechter toestaat de zaak in die hypothese door te verwijzen ?

Grondwettelijk Hof – artikel 629bis, § 1, Ger. W. schendt de artikelen 10, 11, 22bis gw. niet – de familierechtbank waarbij een eerste vordering aanhangig wordt gemaakt blijft territoriaal bevoegd voor latere vorderingen

Het in het geding zijnde artikel 629bis, § 1, Ger. W. geeft uitvoering aan het zogenoemde principe « één familie – één dossier – één rechter » : de familierechtbank waarbij reeds een vordering voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 572bis Ger. W. aanhangig is gemaakt, blijft die welke bevoegd zal zijn voor de vorderingen tussen partijen die hetzij gehuwd zijn of geweest zijn, hetzij wettelijk samenwonenden zijn of geweest zijn, alsook de vorderingen aangaande gemeenschappelijke kinderen van partijen of goederen van die kinderen of aangaande kinderen waarvan de afstamming slechts ten aanzien van één van de ouders vaststaat.

Het zou strijdig zijn met het hogere belang van het kind dat de rechter die territoriaal bevoegd is op grond van artikel 629bis, § 1 Ger. W. de mogelijkheid zou worden ontnomen om dat belang te beoordelen, en te beslissen dat dit belang vereist dat de zaak wordt verwezen naar een andere rechtbank, louter omdat de zaak aanvankelijk verkeerdelijk voor een territoriaal onbevoegde rechter werd ingeleid.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat artikel 629bis Ger. W. de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet niet schendt, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • GwH 25 februari 2016, nr. 29/2016, rolnr. 6116
  • R. VASSEUR, “De territoriale bevoegdheid van de familierechtbank en het belang van het kind”, TJK 2016/3, te verschijnen.
  • E. BREWAEIJS, “Grondwettelijk Hof handhaaft territoriale bevoegdheid oorspronkelijke familierechtbank”, De Juristenkrant 2016, 329, 5.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be