Grondwettelijk Hof – naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde
Rechtspraak 01/02/2017

GwH 14 december 2016, arrest nr. 162/2016, rolnr. 6342.

GwH 14 januari 2016, arrest nr. 2/2016, rolnrs. 6053 en 6098, noot A.

In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 335, § 1, van het BW, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het BW met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik.

De feiten

Bij de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg Luik werd een vordering aanhangig gemaakt door de moeder van een kind dat op 8 mei 2015 werd geboren, dat ertoe strekte te zeggen dat dat kind de naam van zijn moeder zal dragen, een naam die in de plaats van de naam van zijn vader zal komen. Dat kind heeft de echtgenoot als vader, krachtens het vermoeden van vaderschap.

Volgens de eisende partij heeft de vader de echtelijke woning verlaten vóór de geboorte van het kind, kijkt hij niet om naar het kind en is hij niet van plan zijn vaderschap op te nemen. Ter terechtzitting ondervraagd over het feit dat artikel 335, § 1, van het BW aan de rechter niet de bevoegdheid verleent om zich in de plaats te stellen van de weigering van de vader om te aanvaarden dat het kind de naam van de moeder of beide namen draagt, heeft de moeder de rechtbank verzocht een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Zij ging er vanuit dat artikel 335, § 1, van het BW de gelijkheid tussen mannen en vrouwen niet in acht neemt en een verschil in behandeling tussen ouders doet ontstaan.

Zij was van mening dat die bepaling, door de toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving nooit mogelijk te maken, artikel 22bis van de Grondwet schendt. Aangezien zij van oordeel was dat de vragen van de eisende partij relevant waren, stelde de rechtbank van eerste aanleg het Hof een prejudiciële vraag.

Grondwettelijk Hof – Artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin BW – geen schending

Het Hof diende na te gaan of artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, BW bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 11bis, eerste lid, en 22 van de Grondwet, doordat het bepaalt dat in geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, het kind de naam van de vader draagt.

Nu hij voor de keuze van de familienaam de voorrang geeft aan de wilsautonomie van de ouders, dient de wetgever ook de wijze te bepalen waarop de familienaam wordt toegekend voor het geval dat de ouders het oneens zijn of geen keuze maken, ook al heeft hij voor het overige erop toegezien de gevallen van onenigheid te beperken door de ouders de mogelijkheid te bieden te kiezen voor de ene of de andere familienaam of voor de twee namen in de door hen bepaalde volgorde.

Het kan worden verantwoord dat hij zelf de naam vastlegt die het kind zal dragen wanneer er onenigheid of afwezigheid van keuze is, veeleer dan dienaangaande aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid te verlenen. Het is immers in die aangelegenheid van belang de naam van een kind vanaf zijn geboorte op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen.

Artikel 7 van het VRK bepaalt dienaangaande dat het kind onmiddellijk na de geboorte wordt ingeschreven en vanaf de geboorte het recht op een naam heeft. Personen die zich in soortgelijke situaties bevinden, namelijk de vader en de moeder van een kind, worden door de bestreden bepaling echter verschillend behandeld aangezien in geval van onenigheid tussen de ouders of in geval van afwezigheid van keuze, het kind verplicht de naam van de vader alleen draagt. In hun recht om hun familienaam over te dragen aan hun kind worden de moeders aldus anders behandeld dan de vaders

Artikel 335, § 1 BW, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, bepaalde, vóór de gedeeltelijke vernietiging ervan bij het arrest nr. 2/2016, van 14 januari 2016 :” Het kind wiens afstamming van vaderszijde en afstamming van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. De ouders kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. In geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, draagt het kind de naam van de vader ».

Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat zij enkel betrekking had op artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, BW. De prejudiciële vraag werd gesteld vóór de uitspraak van het arrest nr. 2/2016.

Bij zijn arrest nr. 2/2016 oordeelde het Hof : «De toekenning van een familienaam berust in hoofdzaak op overwegingen van sociaal nut. In tegenstelling tot de toekenning van de voornaam wordt zij door de wet bepaald. Die wet strekt ertoe, enerzijds, de familienaam op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen en, anderzijds, aan die familienaam een zekere onveranderlijkheid te geven. Anders dan het recht om een naam te dragen, kan het recht om zijn familienaam aan zijn kind te geven niet als een grondrecht worden beschouwd. Wat de regeling van de naamgeving betreft, beschikt de wetgever derhalve over een ruime beoordelingsbevoegdheid, voor zover hij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, in acht neemt”.

Het Hof diende na te gaan of artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin BW bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 11bis, eerste lid, en artikel 22 van de Grondwet, doordat het bepaalt dat in geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, het kind de naam van de vader draagt.

Bij het arrest nr. 2/2016 heeft het Hof artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het BW, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014, vernietigd. Het heeft de gevolgen van die bepaling evenwel gehandhaafd tot 31 december 2016”. De wet werd ondertussen aangepast in overeenstemming met dit arrest.

In zoverre zij ertoe strekte van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, in zoverre die bepaling niet toestaat dat het kind de naam van de moeder of de naam van de vader en die van de moeder draagt wanneer de afstamming van vaderszijde en de afstamming van moederszijde tegelijkertijd vaststaan en de vader het niet eens is met de toekenning van de naam van de moeder of van de naam van beide ouders, heeft de prejudiciële vraag betrekking op een rechtsvraag die identiek is aan die welke bij het arrest nr. 2/2016 is beslecht.

Wegens de handhaving van de gevolgen waartoe in dat arrest door het Hof werd beslist, behoeft de prejudiciële vraag, in die mate, geen antwoord.

Het Hof oordeelde dat artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, BW de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet niet schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet. Voor het overige behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter ad interim Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • GwH 14 december 2016, arrest nr. 162/2016, rolnr. 6342.
  • GwH 14 januari 2016, arrest nr. 2/2016, rolnrs. 6053 en 6098, noot A. D’ESPALLIER, “Het kind moet een naam hebben”, TJK 2016/2, 162-172.
  • R. VASSEUR, “GwH kent rechter geen rol toe bij naamkeuze”, De Juristenkrant 2017/1, 5
  • Wet van 25 december 2016 tot wijziging van de artikelen 335 en 335ter van het Burgerlijk Wetboek betreffende de naamsoverdracht aan het kind, BS 30 december 2016, 91961. ( zie hierover ook onder actuele wetgeving in ezine TJK 1/2017)
  • Omzendbrief van 27 december 2016 betreffende de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de artikelen 335 en 335ter van het Burgerlijk Wetboek betreffende de wijze van naamsoverdracht aan het kind, BS 30 december 2016, 92159.( zie hierover ook onder actuele wetgeving in ezine TJK 1/2017)
  • G. VERSCHELDEN, “Aangepaste naamgevingswetgeving noopt tot expliciete naamkeuze”, De Juristenkrant 2017/1, 11.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be