Grondwettelijk Hof – is straf onwettig geworden – prejudiciële vraag ontkennend
Rechtspraak 06/10/2017

Grondwettelijk Hof 6 juli 2017, arrest nr. 91/2017, rolnr. 6628.

​In zake, de prejudiciële vraag betreffende artikel 12 van het Sw., zoals hersteld bij artikel 19 van de wet van 15 mei 2006 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie », door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

De feiten

In deze zaak werd de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel gevraagd zich uit te spreken over een vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling, onder verbeurte van een dwangsom van 1 000 euro per dag, ingesteld door C. In ondergeschikte orde vorderde C. de omzetting van de hem opgelegde gevangenisstraf naar een gevangenisstraf van dertig jaar, eveneens onder verbeurte van een dwangsom van 1 000 euro per dag.

C. pleegde in 1991 een dubbele moord, toen hij zeventien jaar en acht maanden oud was. Hij werd voor die feiten in 1995 door het Hof van Assisen van Oost-Vlaanderen veroordeeld tot levenslange dwangarbeid.

Artikel 12 Sw. dat sinds de inwerkingtreding in 2006 het uitspreken van een levenslange vrijheidsberoving verbiedt ten aanzien van een persoon die op het tijdstip van de feiten nog geen achttien jaar is

De verwijzende rechter stelde vast dat geen van de partijen een afschrift voorlegde van dat arrest. C. was van oordeel dat zijn huidige levenslange vrijheidsberoving een onwettig karakter kende, sinds de inwerkingtreding op 16 oktober 2006 van het nieuwe artikel 12 van het Sw. dat het uitspreken van een levenslange vrijheidsberoving verbiedt ten aanzien van een persoon die op het tijdstip van de misdaad de volle leeftijd van achttien nog niet had bereikt. De verwijzende rechter was van oordeel dat de vordering ontvankelijk was, al deelt hij niet het standpunt van de eiser dat op het ogenblik van de invoering van het nieuwe artikel 12 van het Sw. zijn straf onwettig zou zijn geworden.

De wijziging van een wettelijke bepaling meer dan tien jaar nadat een straf is uitgesproken, doet niet retroactief afbreuk aan de wettigheid van die straf. Niettemin rijst de vraag of het onderscheid tussen minderjarige daders dat de facto gecreëerd werd door de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 12 van het Strafwetboek, te verantwoorden valt. De verwijzende rechter achtte het noodzakelijk bovenstaande prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

De verwijzende rechter wenste van het Hof te vernemen of artikel 19 van de wet van 15 mei 2006 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie » en artikel 12 van het Strafwetboek bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, doordat personen die op het ogenblik van de door hen gepleegde misdaad de volle leeftijd van achttien jaar niet hadden bereikt, afhankelijk van het feit of zij vóór dan wel na de inwerkingtreding van artikel 19 van de wet van 15 mei 2006 strafrechtelijk werden berecht, al dan niet tot een levenslange vrijheidsberovende straf konden worden veroordeeld.
Artikel 12 van het Strafwetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1996, werd bij artikel 19 van de wet van 15 mei 2006 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk 4 Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie » hersteld in de volgende lezing : « Levenslange opsluiting of levenslange hechtenis wordt niet uitgesproken ten aanzien van een persoon die op het tijdstip van de misdaad de volle leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt”. Die bepaling is in werking getreden op 16 oktober 2006.

Grondwettelijk Hof – geen schending

Uit de feiten voor de verwijzende rechter blijkt dat de prejudiciële vraag noopt tot het vergelijken van de situatie van de personen die op het tijdstip van de misdaad nog niet de volle leeftijd van achttien jaar hadden bereikt en die bij een definitieve beslissing zijn veroordeeld tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, krachtens het op het ogenblik van hun berechting van toepassing zijnde recht, met die van de personen die op het tijdstip van de misdaad nog niet de volle leeftijd van achttien jaar hadden bereikt en die niet tot die straf kunnen worden veroordeeld, krachtens het op het ogenblik van hun berechting van toepassing zijnde recht.

Het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt op de vergelijking van twee strafrechtelijke regelingen die op verschillende ogenblikken van toepassing waren.

Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever een doelstelling na te streven die verschilt van die welke hij vroeger nastreefde en bepalingen aan te nemen die ze kunnen verwezenlijken. De enkele omstandigheid dat de wetgever een maatregel heeft genomen die verschilt van die welke hij vroeger heeft genomen, houdt op zich geen discriminatie in ten opzichte van de situaties die definitief zijn geregeld bij de vroegere wet, zoals deze.
Is de strafrechtelijke beslissing onherroepelijk geworden, zoals te dezen, dan kan de opgelegde straf worden uitgevoerd, ook al zou de strafwet milder geworden zijn na de definitieve beslissing waarbij de straf is uitgesproken. Hierdoor wordt geen afbreuk gedaan aan de individuele vrijheid gewaarborgd bij artikel 12 van de Grondwet.
Ongeacht de uitgesproken vrijheidsstraf kan een veroordeelde bovendien steeds een voorwaardelijke invrijheidstelling aanvragen na het ondergaan van een deel van zijn straf op basis van de tijdsvoorwaarden bepaald in artikel 25 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Grondwettelijk Hof 6 juli 2017, arrest nr. 91/2017, rolnr. 6628.
  • R. VASSEUR, “Over het verbod van levenslange opsluiting voor minderjarigen”, te verschijnen in TJK 2018/1.
  • S. ROYER, “Terugwerkende kracht mildere strafwet”, noot onder GwH 6 juli 2017, NJW 2017, 539-540.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be