Grondwettelijk Hof – artikel 335, § 3 BW – schending - naamoverdracht
Rechtspraak 21/06/2017

Grondwettelijk Hof 27 april 2017, arrest nr. 50/2017, rolnr. 6390.

​In zake: de prejudiciële vraag betreffende artikel 335, § 3 BW, zoals dat artikel luidde vóór de vervanging ervan bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het BW met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik.

De feiten

A.B. geboren op 24 mei 1996, betwistte het vaderschap van S.B. , dat werd vastgesteld op basis van het vermoeden waarin artikel 315 van het BW voorziet, en vroeg om vast te stellen dat B.K. zijn vader is, alsook om de naam van zijn vader, te weten K., te dragen. De verwijzende rechter stelde vast dat er geen bezit van staat was ten aanzien van S.B., de echtgenoot die vóór de geboorte van A.B. gescheiden was van diens moeder, maar dat er daarentegen wel meerdere elementen waren die aantoonden dat hij een bezit van staat heeft ten aanzien van B.K., met wie de moeder sinds 1995 een relatie heeft.

De verwijzende rechter besliste bijgevolg dat de vorderingen tot betwisting en tot vaststelling van het vaderschap gegrond waren.

Wat de naam van de eiser betreft, bepaalt artikel 335, § 4, van het BW dat, indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het meerderjarig is, er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam wordt aangebracht. In deze stemde de eiser in een eerste fase ermee in de naam van zijn moeder te dragen, maar drukte hij de wens uit de naam van zijn vader te dragen. Niettemin staat artikel 335, § 3, vierde lid, en § 3, tweede lid, van het BW dat wanneer de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, enkel tijdens de minderjarigheid van het kind een wijziging van de naam van het kind toegestaan kan worden : buiten een administratieve procedure kan een meerderjarig kind niet van naam veranderen en die van de vader aannemen.

A.B. was van mening dat de wet op die manier een discriminatie invoerde tussen, enerzijds, het minderjarig kind dat, via zijn ouders, de naam zal kunnen kiezen die het zal dragen ingevolge een wijziging van zijn afstamming, door een verklaring voor de ambtenaar van de burgerlijke stand of rechtstreeks in het vonnis dat de afstamming wijzigt, en, anderzijds, het meerderjarige kind dat die mogelijkheid niet heeft maar gedwongen zal zijn een administratieve procedure in te stellen, met de kostprijs die zij met zich meebrengt, de verloren tijd en de hinder van twee opeenvolgende naamsveranderingen; daarom vroeg hij om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen. De verwijzende rechter preciseerde dat artikel 335, § 3, van het BW, van toepassing is in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 8 mei 2014, en besliste aan het Hof de voormelde prejudiciële vraag te stellen.
Het geschil voor de verwijzende rechter had dus betrekking op een meerderjarig kind wiens afstamming van vaderszijde werd gewijzigd wegens een vordering tot betwisting van het vermoedelijke vaderschap, gecombineerd met een vordering tot onderzoek naar het vaderschap, beide ingesteld door dat meerderjarige kind met toepassing van, respectievelijk, de artikelen 318 en 322 van het BW, waarbij die vorderingen gegrond werden verklaard. Hoewel het meerderjarig kind, overeenkomstig artikel 335, § 4, van het BW, ermee had ingestemd de naam van zijn moeder te dragen, wenste hij de naam te dragen van zijn biologische vader, wiens vaderschap door de verwijzende rechter werd vastgesteld.

Het Hof beperkte zijn onderzoek tot die situatie.

Grondwettelijk Hof - schending

De minderjarige kinderen en de meerderjarige kinderen wier afstamming van vaderszijde is komen vast te staan na de afstamming van moederszijde bevinden zich, ten aanzien van de uiting van de wil om de naam van hun vader te dragen, in verschillende situaties, aangezien volgens de in het geding zijnde bepaling de vervanging van de naam van de moeder door de naam van de vader alleen kan plaatsvinden voor het minderjarige kind op vraag van de ouders.

Bij zijn arrest nr. 65/94 van 14 juli 1994 heeft het Hof geoordeeld dat « artikel 335, § 3, derde lid, BW, in zoverre het bepaalt dat de ouderlijke verklaring van verandering van de naam van de moeder door die van de vader moet worden gedaan vóór de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind, geen onderscheid tussen de minderjarige en de meerderjarige kinderen invoert dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet »,
In deze prejudiciële vraag werd verzocht om de kinderen te vergelijken wier afstamming van vaderszijde is komen vast te staan na de afstamming van moederszijde, na met succes terzelfder tijd een vordering te hebben ingesteld tot betwisting van het vermoedelijke vaderschap en tot onderzoek naar het vaderschap. De wijziging van de afstamming van vaderszijde die daaruit voortvloeide, onderscheidde zich, ten aanzien van de gevolgen ervan voor de naam van het kind, van de vaststelling van een nieuwe afstammingsband van vaderszijde.
In tegenstelling tot het recht om zijn familienaam aan zijn kind te geven, is het recht om een naam te dragen een grondrecht.

De beperkingen van de mogelijkheid om de naam van zijn biologische vader te dragen, vormen een inmenging in de uitoefening van het recht van de betrokkene op de eerbiediging van zijn privéleven (EHRM, 25 november 1994, Stjerna t. Finland).

Het Hof diende derhalve na te gaan of de in het geding zijnde maatregel geen onevenredige aantasting inhield van het recht op de eerbiediging van het privéleven van de meerderjarige kinderen en of met name het maatschappelijke nut van de onveranderlijkheid van hun familienaam moet primeren op een naamswijziging wanneer de burgerlijke staat wordt gewijzigd ingevolge een vaststelling van vaderschap. Het Hof diende er bovendien rekening mee te houden dat de wijziging van de afstamming van het meerderjarige kind tot gevolg heeft dat zijn naam in principe verandert indien het daarmee instemt, en dat het de naam van zijn moeder draagt, tenzij het zijn oorspronkelijke familienaam wenst te behouden. Artikel 335, § 4, B laat immers een verandering van de naam van het meerderjarig kind toe na een wijziging van zijn afstamming.

De betwisting van het vaderschap kan door andere motieven zijn ingegeven en heeft andere gevolgen dan een naamsverandering. Het meerderjarig kind dat zelf een betwisting van het vaderschap heeft ingesteld en ten aanzien van wie een band van afstamming met zijn biologische vader wordt vastgesteld, kan evenwel op rechtmatige wijze wensen om de naam van die laatstgenoemde te dragen.

Het is bijgevolg niet redelijk verantwoord dat artikel 335, § 3 BW het meerderjarige kind dat met succes een vordering heeft ingesteld tot betwisting van het vaderschap gecombineerd met een vordering tot onderzoek naar het vaderschap, niet toelaat ervoor te kiezen de naam van zijn biologische vader te dragen. Het staat aan de verwijzende rechter om in het vonnis tot wijziging van de afstamming akte te nemen van de naam die het meerderjarige kind heeft gekozen en die overeenstemt met diens biologische afstamming van vaderszijde.
De prejudiciële vraag werd bevestigend beantwoord.

In zoverre het meerderjarige kind dat met succes terzelfder tijd een vordering heeft ingesteld tot betwisting van het vaderschap en tot onderzoek naar het vaderschap niet toelaat de naam van zijn biologische vader te dragen, schendt art 335, § 3 BW, zoals dat artikel luidde vóór de vervanging ervan bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde », de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter a.i. Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Grondwettelijk Hof 27 april 2017, arrest nr. 50/2017, rolnr. 6390.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be